DE DOOD – EINDE OF DOORGANG?
Deel 3 – Wat gebeurt er direct na de dood?
Hoofdtekst
Misschien is dit wel de meest persoonlijke vraag van allemaal.
Niet: óf wij sterven.
Maar: wat gebeurt er op het moment dat wij sterven?
Gaan gelovigen direct naar de hemel?
Bestaan ongelovigen direct verder in een andere plaats?
Of gebeurt er iets anders?
De algemene gedachte binnen het christendom is duidelijk: bij de dood verlaat de ziel het lichaam en gaat onmiddellijk naar de hemel of naar de hel.
Maar is dit wat de Schrift leert?
Wanneer we teruggaan naar de basis, zien we dat de dood in de Schrift wordt beschreven als het tegenovergestelde van leven.
De Schrift zegt:
“Want de levenden weten dat zij sterven zullen, maar de doden weten niets.” — Prediker 9:5
Dit is een opmerkelijke uitspraak.
De doden weten niets.
Niet weinig.
Niet minder.
Niets.
Dat betekent dat er geen bewust ervaren bestaan is na de dood.
Dit sluit aan bij wat we eerder zagen: de mens is een ziel, en wanneer de levensadem verdwijnt, houdt de ziel op te bestaan als levende persoonlijkheid.
De Schrift beschrijft de dood daarom ook als slaap.
Toen Jezus sprak over Lazarus, zei Hij:
“Onze vriend Lazarus slaapt.” Johannes 11:11
De discipelen begrepen dit letterlijk, maar Jezus sprak over zijn dood.
En toen Lazarus stierf, zei Jezus niet dat hij in de hemel was.
Integendeel.
Jezus wekte hem op uit de dood.
Als Lazarus al vier dagen in de hemel was geweest, zou opstanding geen redding zijn geweest, maar een terugkeer naar een lagere toestand.
Maar de Schrift zegt nergens dat Lazarus in de hemel was.
Hij was dood en hij werd opgewekt uit de dood.
Niet teruggehaald uit de hemel.
Dit bevestigt een fundamentele waarheid:
De dood is een toestand zonder bewust bestaan.
“Dit sprak Hij, en daarna zei Hij tegen hen: Onze vriend Lazarus slaapt, maar Ik ga erheen om hem uit de slaap te wekken.”
— Johannes 11:11 (HSV)
De geest keert terug tot God
De Schrift zegt dat bij de dood de geest terugkeert tot God.
Dit betekent niet dat de persoon bewust verder leeft bij God.
De geest is het levensbeginsel dat God gaf.
Zoals een lamp dooft wanneer de elektriciteit wordt afgesloten, zo stopt het leven wanneer Gods levensadem wordt weggenomen.
De levensbron keert terug tot de Gever.
Maar de persoon zelf slaapt in de dood.
Wat betekent dit voor onze beleving?
Voor de gestorvene zelf is er geen tijdsbesef.
De volgende bewuste ervaring zal de opstanding zijn.
Wat voor de levenden een lange periode lijkt, is voor de gestorvene als een ogenblik.
De apostel Paulus beschrijft zijn verlangen om “bij Christus te zijn”, niet omdat hij bewust verder zou leven als gestorvene, maar omdat zijn volgende bewuste moment na de dood de ontmoeting met Christus zal zijn.
De dood is als een slaap, en de opstanding als het ontwaken.
Waarom dit zo belangrijk is
Als de mens direct na de dood bewust verder leeft, wordt de opstanding overbodig.
Maar de hele hoop van de Schrift is gericht op opstanding uit de dood.
Niet op voortleven na de dood, maar op overwinning op de dood.
De dood is geen deur naar een andere wereld.
De dood is een vijand.
En God overwint deze vijand door opstanding.
Waarom dit belangrijk is
Dit inzicht verandert onze kijk op alles.
Het betekent dat onze hoop niet ligt in sterven, maar in opstanding.
Niet in het verlaten van het lichaam, maar in het ontvangen van een nieuw lichaam.
Niet in ontsnapping uit de schepping, maar in herstel van de schepping.
Samenvatting
Wat gebeurt er direct na de dood?
Volgens de Schrift:
- de mens keert terug tot stof
- de levensadem keert terug tot God
- de persoon is zich van niets bewust
- de dood is een slaaptoestand
De volgende bewuste ervaring is de opstanding.
Doordenkvraag
Als uw volgende bewuste moment na uw dood de opstanding is, hoe verandert dat uw kijk op sterven?
Als bijlage:
Aantal pagina’s uit mijn boek:
❿ De tussentoestand
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Op een van de Bijbelscholen was er een leraar met een les over de ‘tussentoestand’.
Ik vermeld dit hier omdat ik in kerkgenootschappen ben geweest die deze leer ook onderwijzen. In de Schrift heb ik gevonden dat er geen tussentoestand bestaat.
Hoe ziet het leven na de dood eruit voor een christen? Wat moet ik me daarbij voorstellen? Aldus de leraar.
Nou, dat is natuurlijk best een belangrijke vraag. Waar zijn onze geliefde ontslapenen? Waar zullen we straks zijn als we de Here Jezus toe behoren? Als we straks in de eeuwigheid zijn? In de eerste plaats wil ik heel sterk benadrukken dat we het over de zogenaamde ‘tussendoestand’ tussen sterven en opstand hebben. Het is al heel diep ingesleten bij heel veel christenen dat het er alleen maar om zou gaan dat je, als je sterft, naar de hemel gaat. Dit idee is mogelijk ontstaan door de invloed van populaire geloofstradities en het benadrukken van directe zaligheid na de dood.
Het Nieuwe Testament nuanceert dit echter door herhaaldelijk te wijzen op de centrale rol van de opstanding, de wederkomst, en het Messiaanse rijk als de uiteindelijke vervulling van Gods belofte. En dat lijkt mij, aldus de leraar, een grote vergissing. Het gaat uiteindelijk in het Nieuwe Testament altijd om de verwachting van de wederkomst en de verwachting van het Messiaanse rijk dat aanbreekt. Maar eerst hebben we een tussenplaats. We zullen daar ontzield en een ontlichaamde zijn. Dit betekent dat we niet langer een fysiek lichaam of een volledig functionerende ziel hebben, zoals we dat hier op aarde ervaren. We zijn er niet in een volmaakte situatie, omdat dit slechts een tijdelijke staat is in afwachting van de uiteindelijke opstanding en de vervulling van Gods plan. De zonde is er niet meer en de moeite van het lichaam hebben we dan uiteraard ook niet meer. Maar het is niet onze bestemming. Het is een tussenplaats waar we wachten op onze bestemming. En dat is de wederkomst en dat is het vrederijk. Het tweede en dat hangt eigenlijk met dat eerste samen is de verwarring dat men denkt dat de eigenlijk bestemming ligt in het paradijs. Zo zie je ook gebeuren dat mensen allerlei toekomstverwachtingen op die periode gaan projecteren, zo vertelde de leraar.
Dus bijvoorbeeld spreken ze er over alsof we dan in het vaderhuis zijn. Terwijl de Here Jezus duidelijk zegt in Johannes 14 dat hij zelf zal terugkomen, om ons in het vaderhuis te trekken. Of men gaat het verwarren met het nieuwe Jeruzalem. Men maakt er wel mooie gedichten over, dat we daar zullen wandelen op straten van goud. Maar dat gaat over het nieuwe Jeruzalem in Openbaring 21. En dat is niet de plaats waar we heen gaan als we sterven. Het nieuwe Jeruzalem is hetzelfde als de bruid van Christus. De gemeente is zowel een bruid als een stad in die beeldspraak.
We weten over de plaats waar gelovigen naartoe gaan maar drie dingen, aldus de leraar:
① Lucas 23 vers 43 is een belangrijke tekst waarin Jezus tegen de moordenaar aan het kruis, die tot bekering is gekomen, spreekt. Hier wordt vaak gedacht dat Jezus zegt: 'In de hemel zul je met Mij zijn.' Je zult dus bij Jezus zijn. [Zie bovenstaande de tekst uitgeschreven Lucas 23: 43]. Maar dat is niet wat Jezus letterlijk zegt. Hij zegt: 'Je zult met Mij in het Paradijs zijn.' Dit onderscheid is belangrijk, omdat het 'Paradijs' hier verwijst naar een toekomstige vervulling en niet een onmiddellijke hemelervaring.
② Philippen 1: 9 Dan zult gij rein en onberispelijk zijn tegen de dag van Christus, 11vervuld van de vrucht van gerechtigheid, welke door Jezus Christus is, tot eer en prijs van God. De leraar legt uit: We zullen bij Christus zijn.
③ Vers 22 ik [Paulus] verlang heen te gaan en met Christus te zijn, want dit is verreweg het beste;
We zullen bij de Heer zijn. We zullen bij Jezus zijn. We zullen bij Christus zijn. Dat zijn de drie dingen die wordt aangeduid als het paradijs vult de leraar aan.
Aldus de leraar wiens naam ik niet zal noemen. Het is mogelijk dat hij er nu anders over denkt, aangezien dit gesprek jaren geleden plaatsvond. Mensen evolueren immers vaak in hun inzichten en overtuigingen.
Natuurlijk had ik een vraag voor deze leraar: “Waar is die ingewikkelde 'tussendoorstand'?” Zijn antwoord: “Het is geen locatie, maar een situatie in de geestelijke wereld.” Dit riep bij mij weer veel nieuwe vragen op. En …. hoelang duurt die toestand en wat als die ten einde is?
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
⓫2 Korinthe 5 - Paulus over de toekomst
In zijn brieven schreef Paulus met groot vertrouwen over de toekomst van ① alle gelovigen (hemzelf incluis) ② en over de eindbestemming van de hele mensheid. Uit het feit dat het citaat [Ik ga niet naar een ‘tussentoestand.’] als ik sterf met het voegwoord “want” begint [1Want wij weten, dat, indien de aardse tent, waarin wij wonen, wordt afgebroken], blijkt dat de apostel aanknoopt bij wat hij in het voorafgaande had gezegd. Timotheüs en Paulus [2 Kor. 1:1] hadden verdrukking moeten verdragen. Bij bepaalde gelegenheden hadden ze zelfs aan hun leven gewanhoopt [2 Korinthe 1:3-11, 4:7-12]. De mishandelingen waaraan ze waren blootgesteld hadden hun tol geëist. Hun gezondheid was er niet beter op geworden. “Hun uiterlijke mens raakte in verval” [2 Korinthe 4:16].
Maar Paulus werd niet moedeloos. Hij bleef “Christus Jezus prediken als Heer” en bleef een “slaaf van de gelovigen uit de volken, om Jezus wil” [2 Korinthe 4:5]. Er waren volgens de apostel goede redenen om optimistisch te blijven.
Het optimisme van Paulus was gebaseerd op de beloften van God. In zijn brieven beriep de apostel zich dikwijls op wat de HERE hem had geopenbaard. Hij begon zijn zin dan met de uitdrukking: “Wij weten” [eigenlijk concordant: “wij hebben ingezien”]. In de tweede brief aan de Korintiërs komt die uitdrukking dikwijls voor.
“Onze aardse tent waarin wij wonen” is beeldspraak voor ons vergankelijke lichaam, dat “uit het stof van de aarde is genomen” [1 Kor. 15:47, Gen. 2:7, 3:19]. In het voorafgaande deel van zijn brief had Paulus gelovigen immers vergeleken met “aarden vaten” waarin God de kennis van het licht van Zijn heerlijkheid heeft opgeslagen [2 Kor. 4:7]. En als synoniem van “wonen in de aardse tent” [2 Kor. 5:1] gebruikte hij de uitdrukking “wonen in het lichaam” [2 Kor. 5:6]. In zijn brief spreekt hij over
①“een aarden vat” [2 Kor. 4:7],
② “ons lichaam” [2 Kor. 4:10],
③ “ons sterfelijk vlees” [2 Kor. 4:11] en
④ “onze uiterlijke mens” [2 Kor. 4:16].
Ook de apostel Petrus schreef, dat “het afleggen van zijn tent aanstaande was” maar dat hij zijn volksgenoten “zolang hij in deze tent woonde” aan het goede nieuws zou blijven herinneren [2 Petrus 1:13-14]. Petrus wist dat hij binnenkort zou worden terechtgesteld.
Voor het “afleggen van mijn tent” gebruikte Petrus het woord apothesis. Apothesis betekent letterlijk: “weg-stelling”, dus het wegdoen van de tent. “Het afleggen van mijn tent” is een eufemisme voor “mijn sterven”, “het moment van mijn overlijden”.
Paulus sprak echter over het “afbreken” van onze aardse tent. Hij gebruikte daarbij het werkwoord kataluoo, dat “naar beneden losmaken”, dus: “neerhalen” betekent. Een tent zakt in elkaar wanneer de haringen uit de grond worden getrokken en de scheerlijnen worden losgemaakt. “Afbraak van de aardse tent” is een eufemisme voor verval van krachten, het proces van aftakeling dat uitloopt op de dood.
Wanneer ik sterf, “keer ik tot de aardbodem weer, omdat ik daaruit genomen ben; want stof ben ik en tot stof zal ik wederkeren” [Gen. 3:19]. Mijn huidige lichaam is vergankelijk, zwak, oneervol, en “ziels” [1 Korinthe 15:42-44]. Het wordt bestuurd door de zintuigen en ik ervaar daarom dikwijls pijn. Wanneer die vergankelijkheid en zwakte zich steeds duidelijker beginnen af te tekenen, is de verleiding groot om moedeloos te worden, en somber of terneergeslagen te zijn. Maar dat hoeft helemaal niet! Als ik weet dat mijn aardse tent wordt afgebroken, zegt Paulus, dan mag ik weten dat ik een “gebouw van God heb”.