Wat is spreken in Jezus’ naam?

Gelovigen gebruiken Jezus’ naam vandaag vaak om dingen te vragen in gebed op een manier zoals dat in Jezus’ dagen niet voorkwam. Zij gebruiken de woorden “in Jezus’ naam” soms als een bijna magische spreuk om God aan te sporen iets te geven wat wij graag willen. Op deze wijze bidden wij voor onze naasten en de noden van de wereld, maar wij schromen ook niet om te bidden voor materiële zaken. We hebben allemaal weleens om iets gebeden wat we niet echt nodig hadden.

Tegelijk weten we ergens wel dat bidden in Jezus naam méér is dan drie woorden aan het einde van een gebed. Toch voelt het voor veel mensen alsof een gebed “ongeldig” is wanneer we deze woorden weglaten. Maar is dat ook echt zo?

Wat bedoelde Jezus toen Hij de discipelen de opdracht gaf om te spreken in Zijn naam? En hoe moeten wij daar vandaag mee omgaan?

 

Ik ga hierop in aan de hand van drie hoofdstukken uit het Johannesevangelie (Johannes 14–16).

Bijbeltekst: Johannes 14:13–14

En wat gij ook vraagt in Mijn naam, Ik zal het doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt worde.
Indien gij Mij iets vraagt in Mijn naam, Ik zal het doen
.”   (Joh. 14:13–14)

De context van het spreken in Jezus’ naam

Deze uitspraak maakt deel uit van het antwoord dat Jezus aan Zijn discipelen geeft naar aanleiding van drie vragen die zij stellen:

  • Thomas vraagt waar Jezus heengaat en hoe zij daar kunnen komen (vers 5).
  • Filippus vraagt naar de identiteit van de Vader (vers 8).
  • Judas vraagt waarom Jezus Zich enkel aan hen heeft geopenbaard (vers 22).

Hier ga ik in op de vraag van Filippus.

In Zijn antwoord spreekt Jezus over Zijn eenheid met de Vader (vers 11). Hij vertelt over het geloven in de werken die Hij doet, en dat Zijn discipelen grotere werken zullen doen dan Hijzelf (vers 12). Vervolgens spreekt Hij over het vragen “in Zijn naam (vers 13).

Jezus belooft Zijn discipelen dat zij hetzelfde zullen doen als Hij. Hij gaat immers naar de Vader. Wat de discipelen de Vader in Zijn naam vragen, zal Hij doen.

Als antwoord op Filippus’ vraag naar de identiteit van de Vader, spreekt Jezus over Zijn eenheid met de Vader: wie Jezus heeft gezien, heeft de Vader gezien.

Grotere werken doen dan Jezus

Jezus doet de werken niet uit Zichzelf, maar de Vader die in Hem is doet de werken. Jezus zegt dat de Vader in Hem is en dat Hij in de Vader is (vers 10). Hij spreekt over een samenzijn van Vader en Zoon, waarin de Zoon de woorden ontvangt van de Vader.

De Zoon leeft in complete overgave en onderwerping aan de Vader. Als gevolg hiervan kan de Vader door de Zoon heen werken. Alles wat Jezus deed, deed Hij zoals de Vader dat wilde.

Jezus belooft dat de discipelen grotere werken zullen doen dan Hij (vers 12). Een historische kijk op “grotere werken” toont dat de werken van Zijn discipelen groter in aantal zullen zijn dan Jezus werken. In al die jaren van actieve discipelen dienst zijn er immers meer wonderen gebeurd dan in de bediening van Jezus, die ongeveer drie jaar duurde.

Het woord “grotere” duidt echter niet zozeer op de grootte of indrukwekkendheid van de wonderen, maar vooral op de impact, het bereik en de uitwerking ervan. Steeds meer mensen zullen worden bereikt en geraakt door de wonderwerken. Het gaat daarbij niet alleen om het wonder zelf, maar ook om het effect ervan.

De werken zijn groter omdat ze plaatsvinden na de verhoging van de Messias. Het verschil met Jezus is dat de discipelen het volbrachte werk van Jezus verkondigen. Het effect van de wonderen is ook groter, omdat nieuwe gelovigen nu direct tot de Vader mogen komen. De tijd dat er offers gebracht moesten worden om tot God te naderen is voorbij. Jezus is het volmaakte offer en herstelt de relatie met de Vader.

“Grotere werken” gaat dus óók over het wonder van redding. De discipelen kunnen dezelfde werken doen als Jezus: het gaat om de prediking van het Evangelie aan de volken en de redding van talloze mensen. Jezus sprak Zelf niet buiten Israël, maar Zijn discipelen zijn over grenzen gegaan en hebben het Evangelie in de hele toenmalige wereld gebracht.¹

Ook wijst de context van Jezus’ uitspraak erop dat de werken niet beperkt blijven tot de prediking in woorden. Zoals Jezus het Koninkrijk van God verkondigde in woord én daad, zo zullen Zijn discipelen dat ook doen. Het hele Nieuwe Testament getuigt daarvan.

Spreken als vertegenwoordigers

In Zijn antwoord aan Filippus verduidelijkt Jezus dat wij alles in Zijn naam aan de Vader mogen vragen. Een gebed van een discipel is van hetzelfde gewicht als een verzoek van Jezus Zelf aan de Vader.

Toch noemt Jezus voorwaarden:

  • het verzoek moet verband houden met de werken waarover Hij spreekt in vers 12;
  • het moet gebeuren met als doel dat de Vader in de Zoon verheerlijkt wordt.

Wanneer een discipel iets vraagt aan de Vader in de naam van Jezus, dan vraagt hij dat als vertegenwoordiger van Jezus. Op dezelfde manier was Jezus de vertegenwoordiger van de Vader. Hij deed alles in lijn met de wil van de Vader. Zo spreekt een discipel in lijn met Jezus’ wil wanneer hij of zij spreekt in Jezus’ naam. De discipel onderwerpt zich aan het gezag van Jezus.

De term in Jezus’ naam houdt in dat men komt in de naam van iemand anders: als afgezant of vertegenwoordiger. Jezus kwam als vertegenwoordiger van de Vader. Hij kwam om de Vader te openbaren en aan de wereld bekend te maken (Joh. 14:9).

Spreken in Jezus’ naam heeft daarom niet in de eerste plaats te maken met het letterlijk uitspreken van de woorden in Jezus’ naam, maar met spreken als een afgezant en vertegenwoordiger van Jezus Christus.

Een voorbeeld: de ambassadeur

Een ambassadeur komt aan in een vreemd land om te spreken over zaken die spelen in het land waar hij vandaan komt. Alles wat hij doet of zegt is namens het land dat hij vertegenwoordigt, met het doel om de opdracht te volbrengen die hij heeft ontvangen.

De mensen die met deze ambassadeur in contact komen, komen indirect in contact met het land waar hij vandaan komt. Zijn wijze van spreken, handelen en reageren toont de etiquette en cultuur van het land dat hij vertegenwoordigt. Zo krijgt men via de ambassadeur een beeld van het land en het volk dat hij representeert.

Als wij spreken in Jezus’ naam, betekent dit dat wij horen te handelen als vertegenwoordigers of ambassadeurs van Jezus. Als discipelen zijn wij in de wereld gezonden om Zijn opdracht voor Hem en namens Hem te vervullen.

Spreken in de naam van Jezus is dus geen simpele herhaling van woorden aan het einde van een gebed. Het gaat om ons volledig onderwerpen aan en vereenzelvigen met het karakter van Gods Zoon.

Wij zijn “het gezicht” van God

De gemeente  is zelfs meer dan alleen een vertegenwoordiger. Zij is de levende presentie van de enige God op aarde, zoals de Zoon de levende presentie van de Vader op aarde was.

Wie de Zoon zag, zag de Vader (niet slechts een vertegenwoordiger van de Vader). Wie de discipelen ziet, moet de Zoon zien en daarmee ook de Vader. Het is de Heilige Geest die in de gemeente werkt en het karakter van de enige God zichtbaar te maken.

In het Johannesevangelie is deze relatie tussen de discipelen en de Vader nieuw. Jezus belooft dat na Zijn verheerlijking de Geest zal komen. De Heilige Geest zal de discipelen in staat stellen om te doen wat Jezus tijdens Zijn bediening op aarde deed.

Zij begrijpen dit op dat moment nog niet, maar Jezus belooft dat dit zal veranderen met de komst van de Heilige Geest (Joh. 14:26). De Geest zal hen alles in herinnering brengen wat Jezus zei. De Geest zal hen leiden tot de volle waarheid, hen de toekomst verkondigen en Jezus verheerlijken (Joh. 16:13–14).

Jezus zichtbaar in ons

Johannes vermeldt dat God de Vader Zijn Zoon naar de wereld heeft gestuurd (Joh. 1:18; 3:16–18). Jezus kwam in de naam van de Vader. Alles wat Hij zei, deed en onderwees, had Hij niet uit Zichzelf, maar Hij deed wat Hij de Vader zag doen. God is de Vader en Jezus is zijn Zoon!

Hij was gehoorzaam bezig het plan van de Vader te volbrengen voor de verlossing van de wereld. Hij werd bepaald door het karakter en doel van de Autoriteit die Hij vertegenwoordigde: God de Vader. Daardoor konden de discipelen en anderen aan Jezus zien dat Hij van God kwam, en maakten zij kennis met het karakter en wezen van de Vader.

In dat beeld stuurt Jezus nu Zijn discipelen uit om in Zijn naam Zijn bediening op aarde voort te zetten. Alles wat zij doen, zeggen en onderwijzen, hebben zij niet uit zichzelf maar vanuit de Here Jezus.

Conclusie

Spreken in de naam van Jezus staat gelijk aan spreken als vertegenwoordiger van Jezus Christus. De gedachten, verlangens en het doel van de spreker horen overeen te komen met die van Jezus.

Het Johannesevangelie spreekt over een unieke relatie tussen Vader en Zoon: overal waar Jezus kwam, bracht Hij een beeld en openbaring van de Vader. Zo betekent spreken in Jezus naam dat wij als ambassadeur Jezus vertegenwoordigen.

Het is nu onze taak om de presentie van Jezus en daardoor van de Vader te zijn. Op zichzelf lijkt dat een onmogelijke opdracht, maar gelukkig krijgen we hulp van de Heilige Geest.

Wat Is Spreken In Jezus Wr Website Pdf
PDF – 191,2 KB 2 downloads