De ontsporing van de christenheid
‘Maar [de] Geest zegt nadrukkelijk dat in navolgende perioden, sommigen afstand zullen nemen van het geloof, ach gevende op misleidende geesten en leringen van demonen, in huichelarij van valse woorden…’ - Paulus in 1Timotheüs 4:1,2.
Ontsporing
In bovenstaande woorden spreekt Paulus een belangwekkende profetie uit. Hij schrijft dat de Geest nadrukkelijk zegt dat in navolgende perioden sommigen afstand zouden nemen van het geloof. Het zou het begin zijn van de ontsporing van de christenheid als geheel. Want in de tweede Timotheüs-brief schrijft Paulus (4:3) dat de tijd zou komen dat men in het algemeen zelfs de gezonde leer niet meer zou verdragen omdat men het gehoor zal hebben afgekeerd van de waarheid (4:4). Paulus had een zeer pessimistische kijk op de toekomstige ontwikkelingen in de christenheid. Zoals Paulus zelf aan het einde van zijn leven verlaten was door allen die in Asia waren (2Timotheüs 1:15), zo laat hij Timotheüs weten dat de christenheid als geheel zich zou afkeren van de waarheid.
Het begint bij sommigen
De neergaande ontwikkeling zou worden ingezet bij sommigen (1Timotheüs 4:1). Blijkens vers 3 gaat het daarbij om mensen die onderwijs geven. Dat is effectief. Om bepaalde leringen algemeen ingang te doen laten vinden, moet men eerst de leraren zover zien te krijgen. Want als invloedrijke mensen, de opiniemakers, eenmaal ‘om zijn’, dan volgt de rest vanzelf.
Misleidende geesten
Volgens de voorzegging in 1Timotheüs 4 is deze ontsporing veel meer dan een algemeen menselijk fenomeen. Het is niet gebaseerd op sociologische wetmatigheden. Er zijn misleidende geesten in het spel. Een mastermind die strategieën kiest om mensen en masse te bedriegen.
Leringen van demonen
Het geloof (d.w.z. dat wat geloofd wordt) waarvan afstand genomen wordt, zal volgens Paulus plaats maken voor ‘leringen van demonen’. Niet slechts één leer van demonen, maar meerdere. Het woord demon verwijst naar een godheid binnen het veelgodendom. De Grieken
noemden hun goden demonen. Zij zouden zeker niet akkoord gaan met de weergave boze geesten, zoals in veel Bijbelvertalingen. En terecht niet, want de Schrift kent wel boze geesten, maar dat is een andere frase (b.v. in Lucas 8:2). Zoals de Griekse versie (de Septuagint - LXX) van Psalm 96:5 zegt: ‘alle goden der volken zijn demonen’. Wat Paulus voorziet in ’leringen van demonen’, is een verkapte terugkeer naar de afgoderij onder de natiën.
Huichelarij van valse woorden
Hoe is het mogelijk om mensen te misleiden tot ‘leringen van demonen’, terwijl ze ooit het onderwijs genoten van Paulus, de leermeester van de natiën? Daar zijn misleidende geesten voor nodig. Die zich vermommen ‘in huichelarij van valse woorden’. Huichelarij of hypocrisie wil zeggen: de schone schijn ophouden. Zich bedienen van enerzijds goede woorden, maar tegelijkertijd ook van woorden die dit ontkennen. Zodat de vlag de lading niet dekt. Paulus slaat met deze voorzegging van ‘huichelarij van valse woorden’ de spijker op de kop! Systematisch heeft men zich bekwaamd (de theologie!) om de Schrift iets anders te laten zeggen, dan wat ze zegt. God zegt dit, maar Hij bedoelt dat.
Voorbeelden
De geschiedenis van de orthodoxe theologie laat vele voorbeelden zien van zulke ‘huichelarij van valse woorden’. Ik noem:
- Men spreekt van één God, maar men bedoelt drie personen.
- Men spreekt van de Zoon van God, maar men bedoelt God de Zoon.
- Men spreekt van redding om niet, maar men bedoelt dat er een voorwaarde is.
- Men spreekt van een God die niet laat varen de werken van Zijn handen, maar men bedoelt een eindeloze hel.
- Men spreekt van dood, maar men bedoelt een andere vorm van leven. Men spreekt van Israël, maar men bedoelt de Kerk
- Men spreekt van Gods goede schepping, maar men bedoelt een boze natuur.
Opvallend genoeg prikt men buiten de kerk veel gemakkelijker door deze ‘huichelarij van valse woorden’ heen dan zij, die zich daarbinnen bevinden. In dit artikel wil ik puntsgewijs de hypocrisie en trucs blootleggen van de genoemde voorbeelden.
Huichelarij 1: drie-eenheid
Geen waarheid in de Schrift is fundamenteler dan dat er ÉÉN GOD is. Toen Jezus van een Schriftgeleerde de vraag kreeg voorgelegd welk gebod het eerste van alle is (Marcus 12:28), verwees Hij zonder aarzelen naar het Sjema in Deuteronomium 6:4 - ‘Hoor Israël, de Heer is onze God, de Heer is één’. Waarop de Schriftgeleerde reageerde: ‘Inderdaad, Meester, naar waarheid hebt GIJ gezegd, dat HIJ één is en dat er geen ander is dan HIJ.’
Jezus bad tot Zijn hemelse Vader en sprak Hem aan als ‘de enige waarachtige God’ (Johannes 17:3). Voor een jood is er geen vanzelfsprekender, simpeler en belangwekkender waarheid dan dit gegeven: ‘er is één God, de Vader’ (1Korinthiërs 8:6).
Er waren misleidende leugengeesten nodig, om de christenheid van deze eenvoudige waarheid af te doen wijken. Reeds vroeg in de kerkhistorie deed het meergodendom geraffineerd haar intrede.
Niet alleen de Vader zou God zijn, maar ook de Zoon en de Heilige Geest. Na veel woordenstrijd werd ten slotte in de vierde eeuw de leer van de drie-eenheid als dogma opgelegd en het zuivere monotheïsme (mono theoo; 1Timotheüs 1:17) tot ketterij verklaard, op straffe van de eeuwige verdoemenis (waarover in andere studies meer). De frase ‘één God’ bleef weliswaar in tact maar het verwees voortaan naar drie personen.
Voor de gemiddelde buitenstaander is de leer van de drie-eenheid verkapt meergodendom.
Een jood of moslim kan het niet anders verstaan. En terecht. Mystificatie zorgt er voor dat christenen dit zelf niet vermogen te doorzien. Want de leer van de drie-eenheid geldt als een onaantastbaar en onbegrijpelijk mysterie. Men definieert de drie-eenheid als ‘één wezen en drie personen’. Een formulering die niet alleen volkomen vreemd is aan de Schrift (‘ongezonde woorden’ dus), maar ook nietszeggend. Want geen enkele theoloog is ook maar bij benadering in staat duidelijk te maken wat deze door mensen zelf bedachte definitie betekent!
Dat God één en enig is, is helder en duidelijk. Dat is monotheïsme. Het idee dat drie personen ieder god zijn, is ook te begrijpen. Dat is polytheïsme. Maar beweren dat drie personen God zijn, en toch geen drie Goden, is hypocriet. Het is gecamoufleerd meergodendom.
Vergis u niet: dit dogma van de drie-eenheid is het allerbelangrijkste leerstuk van de orthodoxe christenheid. Van rooms katholiek tot calvinistisch, van Grieks orthodox tot evangeliekaal of charismatisch. Allen onderschrijven de drie-eenheid als eerste en gewichtigste leerstuk. Wie niet voor dit dogma neerbuigt, kan niet behouden worden en geen christen zijn, zo verzekert de belijdenis van Athanasius. Hoe verbijsterend het voor velen ook moge zijn, maar de leer van de drie- eenheid maakt van het christendom een religie die verder afstaat van ‘de enige waarachtige en het jodendom en de islam…
Huichelarij 2: God de Zoon
De Schrift is helder: er is ‘één God, de Vader’ (1Korinthiërs 8:6; Efeziërs 4:6). Vele tientallen keren spreekt de Schrift over ‘God de Vader’. En eveneens dat Jezus Christus ‘de Zoon van God’ is, d.w.z. door God zelf verwekt (Lucas 1:35). Maar met de introductie in de vroege kerk- geschiedenis van een verkapt veelgodendom (= drie personen zijn God), werd ‘de Zoon van God’ gemaakt tot ‘God de Zoon’. De leer van de drie- eenheid en de leer van ‘God de Zoon’ gaan hand in hand.
De formule ‘God de Zoon’ is een onmiskenbare vervalsing van de Schrift. NOOIT komen we daar die uitdrukking tegen. Bovendien: als Hij ‘God de Zoon’ is, dan kan Hij onmogelijk ‘de Zoon van God’ zijn. Hoe zou ‘God de Zoon’ afhankelijk kunnen zijn? Kunnen zeggen: ‘niet mijn wil, maar de Uwe geschiede’ (Lucas 22:42)? Kan God opgroeien in kennis en wijsheid (Lucas 2:52)? Dingen niet weten (Mattheüs 24:36)? Stierf God aan een kruis? Was God gedurende drie dagen dood? En als Jezus zelf God was, waarom moest Hij dan door Zijn Vader worden opgewekt (Romeinen 6:4)?
De Schrift zegt: ‘Er is ÉÉN GOD en ÉÉN MIDDELAAR van God en mensen, de MENS Christus Jezus…’ - 1Timotheüs 2:5
De bewering dat Jezus de ene God is, berooft ons automatisch van de ene Middelaar. Want niet God, maar een mens stierf en een mens werd uit de doden opgewekt. Hoe kan iemand van harte belijden dat God Jezus uit de doden opwekte, als deze Jezus zelf God zou zijn (Romeinen 10:9)?
‘De mens Christus Jezus’ is uniek, want Hij is de ene Middelaar van God en mensen. Hij is het vleesgeworden woord (Johannes 1:14) waardoor heel de schepping tot stand kwam (Johannes 1:3). Hij is ook het BEELD van de onzienlijke God (Kolossenzen 1:15), zodat wie Hem ziet, de Vader ziet (Johannes 14:9). Als BEELDspraak (!) klopt het volkomen, dat de Zoon God is. Want de onzienlijke God openbaart zich via Hem. Als JAHWEH in de toekomst zal verschijnen op de Olijfberg (Zacharia 14:4), dan is dat door de Heer Jezus Christus die Hem representeert (Handelingen 1:11).
Eenmaal zal de Zoon, nadat Hij de dood zal hebben teniet gedaan (= allen levendgemaakt), terugtreden en een volmaakt koninkrijk aan Zijn God en Vader overgeven (1Korinthiërs 15:26-28). Ziedaar de glorie van de Zoon. Nooit ging of gaat het Hem om Zichzelf maar uitsluitend om de ene God en Vader (Johannes 8:49,50).
Geen groter oneer kan men de Zoon aandoen, dan door Hem te ‘promoveren’ tot ‘God de Zoon’. De heerlijkheid van de Zoon is juist dat Hij uitdrukkelijk niet op Zichzelf wijst maar naar Zijn God en Vader. Juist vanwege die gezindheid heeft God de Vader Hem verhoogd en een naam boven alle naam gegeven, opdat in de naam van Jezus (=JAHWEH redt!) alle knie zich zal buigen en alle tong zal belijden dat Jezus Heer is (Filippenzen 2:9-11). Tot eer van Jezus? Nee, TOT EER VAN GOD DE VADER!!!!
Huichelarij 3: een beetje gratis
In het Evangelie dat Paulus onder de natiën bekendmaakte, is redding volstrekt gratis én gegarandeerd. De ene GOD wil dat alle mensen gered worden (1Timotheüs 2:4) en Hij is daarom ook een Redder van alle mensen (1Timotheüs 4:10). Geen enkele (wan)prestatie van de mens kan daar ook maar enige invloed op uitoefenen. Zoals alle mensen als zondaren en stervelingen geboren zijn, zo is het een gegeven dat heel de mensheid gerechtvaardigd en levendgemaakt zal worden (Romeinen 5:18; 1Korinthiërs 15:22). Het is een bericht, een goed bericht! En dat geloof je of je gelooft het niet, maar het feit staat.
Wat heeft het christendom echter van deze boodschap gemaakt? Zeker, het woord genade (om niet, gratis) liet men staan… men hoeft ‘alleen maar’ een christen te worden. Maar juist in dat ‘alleen maar’ zit het venijn. ‘Christen worden’ maakt men tot voorwaarde dat God je Redder wordt.
Daarmee heeft men een mededeling tot koopwaar gemaakt. De prijs die men vraagt mag dan gering zijn, maar gratis is het niet. Een beetje gratis, bestaat niet. Dat is ‘huichelarij van valse woorden’.
Het geloof of de trouw van GOD (Romeinen 3:3) is de grond waarop een mens gered wordt. HIJ belooft het en HIJ doet het. Ons geloof is slechts het kanaal of het instrument waardoor God redt (Romeinen 3:30; Galaten 3:14,26).
‘Want in genade zijn jullie behouden, door geloof, en dat niet uit jullie zelf: het is het naderingsgeschenk van God, niet uit werken, opdat niemand roeme.’ - Efeziërs 2:8,9
Laat u niet misleiden door de Gehazi-truc. Van de heidense legeroverste Naäman lezen we dat hij van Godswege genezen was van melaatsheid. Gratis. De profeet Elisa wilde er beslist niets voor ontvangen. Maar de knecht van Elisa, Gehazi, dacht daar anders over. Hij ging de rijke generaal achterna en vroeg van hem slechts (!) een geringe vergoeding (2Koningen 5:20).
En dat werd Gehazi zwaar aangerekend. Gehazi verkocht wat ‘de man Gods’ om niet had geschonken. Zo maakte Gehazi dat Israëls God onder de natiën in een kwaad daglicht kwam te staan. Tot op vandaag is deze truc van Gehazi, de core-boodschap van het orthodoxe christendom: bijna gratis… terwijl God heeft laten opschrijven 'volkomen gratis'.
Huichelarij 4: eindeloze hel
Er is geen leerstuk dat zo haaks staat op dat wat het christendom pretendeert te verkondigen, als het dogma van de eindeloze hel. Het christendom claimt de liefde van God te prediken, zoals bij de aanvang van reformatorische kerkdiensten de woorden klinken:
‘Onze hulp is in de naam van de HERE, die hemel en aarde gemaakt heeft, die trouw houdt en nooit laat varen de werken van Zijn handen…’
Zijn deze woorden niet geweldig?! Het vertrouwen wordt uitgesproken in een God die alles geschapen heeft en die Zijn creaturen nooit prijsgeeft. Dat is zondermeer een goed bericht! De huichelarij zit ‘m in het feit dat in dezelfde kerkdienst mensen worden gewaarschuwd voor de verdoemenis, de hel of de eeuwige dood. M.a.w., wat in het begin veelbelovend wordt aangezegd, wordt in het vervolg keihard ontkend. Want OF God laat niet varen de werken van Zijn handen, OF Hij houdt er een eindeloze hel en verdoemenis op na. Het is hypocriet het eerste te zeggen, maar het tweede te bedoelen.
Oordeel, gericht en straf zijn Bijbelse gegevens. De mens werd uit de hof van Eden gestuurd. God verwoestte de aarde met een grote vloed. Sodom en Gomorra kwamen om in vuur en zwavel. Israël werd in ballingschap gestuurd. Enzovoort. Maar nooit is oordeel in de Schrift een definitieve bestemming. Oordeel en gericht zijn maatregelen met een corrigerend karakter. Gods toorn staat altijd ten dienste van Zijn goedertierenheid. Zoals de psalmist zegt (30:6):
‘Een ogenblik duurt Zijn toorn en een leven lang Zijn welbehagen.’
De verhouding tussen Gods toorn en Zijn welbehagen is als een moment ten opzichte van een lang leven. God richt, d.w.z. Hij doet recht en Hij zet recht. In het orthodoxe christendom geldt deze logica echter als ‘de ketterij der alverzoening’. Hoe kon het zover komen? Het antwoord ligt in de vroege kerkgeschiedenis, toen men het Griekse woord aion (eeuw, wereldtijdperk) ging vertalen met eeuwigheid en het bijvoeglijke aionios (eeuws) met eeuwig. Dat was dramatisch. Want daarmee was er niet langer sprake van een ‘aionische straf’ (Mattheüs 25:46) of een ‘aionische ondergang’ (2Thessalonicenzen 1:9) maar van een eeuwige straf en een eeuwige ondergang. Eindeloos dus.
‘De rook van hun pijniging die opstijgt tot in de aionen der aionen’ (Openbaring 14:11) ging voortaan duren ‘tot in alle eeuwigheden’. Ziedaar de creatie van een vreselijk, nimmer eindigend lot…
Geheel in lijn hiermee maakte men een concrete locatie bij Jeruzalem (het dal van Hinnom = Gehenna, in het Grieks) tot een ‘hel’. Alle mooie woorden over Gods liefde en trouw werden overwoekerd door deze dreiging. Het leerstuk van de hel werd de stok achter de deur om christen te worden. Vandaar dat men het loslaten van dit leerstuk zo ernstig opneemt: de motivatie tot ‘evangelisatie’ en zending zou worden ontnomen…
Als God eindeloos toornt en straft, dan is Hij is een vreselijke demon. Erger dan welke psychopathische oorlogsmisdadiger ook. Het idee stoelt op verdraaiing van de woorden van de Schrift met als resultaat dat God tot een duivel wordt. Het is onmogelijk dit te geloven en tegelijkertijd het Goede Bericht van de Redder, Levendmaker, Rechtvaardiger en Verzoener van allen (1Timotheüs 4:10; 1Korinthiërs 15:22; Romeinen 5:18; Kolossenzen 1:20).
Huichelarij 5: dood = leven, een andere vorm van leven.
De eerste leugen die we in de Bijbel aantreffen is van de slang in de hof van Eden. Hij sprak tegen dat de mens zou sterven wanneer deze van de verboden vrucht zou eten. De mens zou niet sterven, maar integendeel, zijn ogen zouden juist geopend worden. Sindsdien is de ontkenning van de dood een karakteristieke leugen in alle religies. Of men leert dat de mens reïncarneert of hij leeft voort als onsterfelijke ziel. Maar in beide gevallen gaat de mens niet écht dood maar leeft hij op een andere wijze verder. Met andere woorden: men zegt ‘dood’, maar men bedoelt (een andere vorm van leven)
In de Bijbel is dood het einde en ook het tegenovergestelde van leven. Het verklaart waarom de Bijbel waarschuwt voor spiritisme: het zet de deur open naar bedrog. Men denkt doden op te roepen maar in werkelijkheid raadpleegt men leugengeesten. Het bidden tot, of het aanroepen van overleden heiligen (b.v. Maria) valt in diezelfde categorie. Want alle doden rusten tot dusver in het graf. Op dit moment is er slechts één mens onsterfelijk: de Eersteling Christus (1Korinthiërs 15:22).
De ontkenning van de dood is een leugen met ernstige consequenties. Het tast de kern aan van de Bijbelse boodschap. Als dood geen dood is, dan is Christus ook niet echt gestorven. Het maakt ook de opstanding van doden overbodig. Als mensen in een ‘gelukzalig hiernamaals’ verder leven, waartoe zouden ze nog moeten opstaan? Wat is de zin of noodzaak daarvan? Gods antwoord op de dood (volgens de Schrift) is opstanding en levendmaking. Buiten opstanding om, is er geen hoop of verwachting en zouden ‘ook zij, die in Christus ontslapen zijn, verloren’ zijn (1Korinthiërs 15:18). De ontkenning van de dood is daarom tevens een ontkenning van de betekenis van de opstanding, waar het Evangelie mee valt of staat. Want zonder opstanding, zegt Paulus, is ‘onze prediking zonder inhoud, en zonder inhoud is ook uw geloof’ (1Korinthiërs 15:14). Waar we geconfronteerd worden met dood en overlijden, zouden we elkaar niet vertroosten met een hiernamaals waar de overledene zou vertoeven, maar met de verwachting van een toekomstige levendmaking (1Thessalonicenzen 4:16-18). ‘Ieder in zijn eigen rangorde…’ (1Korinthiërs 15:23).
Huichelarij 6: Israël = de kerk
Een lering die in deze opsomming van ‘huichelarij van valse woorden’ niet mag ontbreken, is de klassiek-kerkelijke opvatting dat de Kerk ‘geestelijk Israël’ zou zijn. Waar de Schrift spreekt over de heilrijke toekomst van het volk Israël en het beloofde land, daar dienen we volgens deze opvatting te denken aan de Kerk. M.a.w. men leest Israël of Jeruzalem maar men bedoelt de Kerk. Dat procedé volgt men trouwens alleen als het heilsaankondigingen betreft, want de vloek en het oordeel zijn weer wél voor he]]t concrete Israël… Het is deze theologische opvatting die sinds de kerkvader Augustinus († 430) het Kerkelijk denken heeft beheerst. Hoe kon het zover komen?
Toen de Joodse natie in de eerste eeuw van onze jaartelling ‘van de kaart’ verdween en Jeruzalem en de tempel waren verwoest, raakte Israël uit het vizier van de christenen. God had dit volk immers terzijde gesteld. Toen in de dagen van keizer Constantijn (begin 300) een einde werd gemaakt aan de christenvervolgingen en het christendom zelfs staatsgodsdienst werd, ontstond het idee dat het Koninkrijk dat Israëls profeten hadden aangekondigd, inmiddels zou zijn aangebroken. Het jodendom was definitief ten ondergegaan en ziedaar, het christendom beheerste nu de wereld.
M.a.w., wat ooit door de profeten aan Israël was beloofd werd nu vervuld aan de Kerk. Zo kreeg de ‘geestelijk Israël’-leer een succesvolle voedingsbodem.
Daarmee beroofde de Kerk Israël van haar beloften en de aan Israël toebedeelde rol eigende men zichzelf toe. Geheel in lijn hiermee judaïseerde ook het godsdienstige leven. De tempel werd een kerkgebouw, er kwam een priester-klasse met zegenformules en ambtsgewaden, de tien geboden werden de christelijke leefregels, de sabbat werd de zondag, de besnijdenis werd de doop, enzovoort. Dat Gods genadegaven aan het volk Israël ‘hunner is de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften’ - Romeinen 9:4 onberouwelijk zijn, ontkende de Kerk door zichzelf Israël te wanen. Dat is niet alleen diefstal, maar ook een miskenning van wat wél voor haar bestemd is, namelijk het onderwijs van Paulus, de apostel en leermeester van de natiën.
Sinds de laatste decennia is dit eeuwenoude rollenspel op haar retour. De Kerk kon zich destijds haar valse identiteit aanmeten door enerzijds de ondergang van de Joodse natie en anderzijds door het Westen dat ‘gechristianiseerd’ was. Hele volksstammen waren de rivier in gedreven om er als gedoopte christenen uit te komen. Maar dit rollenspel valt nu ongenadig door de mand. Het Westen is niet langer het christelijke avondland. En bovendien ziet de Kerk zich al tientallen jaren geconfronteerd met een volk dat men juist had afgeschreven. Sinds 1948 is er weer een Joodse staat die sinds 1967 Jeruzalem als hoofdstad heeft. En vrijwel dagelijks blijkt dit kleine landje de spil van de wereldpolitiek te zijn.
In de Schrift geldt: Israël = Israël en Jeruzalem = Jeruzalem. Met dat volk, die stad en dat land gaat God binnenkort weer de draad oppakken om zijn Koninkrijk op aarde te vestigen. God bedoelt in de Schrift wat Hij zegt. De ’huichelarij van valse woorden’ (Israël = de Kerk) zal dan definitief aan de kaak worden gesteld.
Huichelarij 7: de boze natuur
Paulus voorzegt in 1Timotheüs 4 dat in latere dagen sommigen zouden afstaan van het geloof en zich zouden keren tot leringen van demonen ‘in huichelarij van valse woorden’ (4:1,2). Hij voegt daar aan toe (4:2,3):
‘… verbiedende te trouwen, zich te onthouden van spijzen die God schept om tot zich te nemen met dankzegging…’
Het is niet moeilijk om in deze woorden het latere verplichte celibaat en het verplichte vasten te herkennen. Al spoedig zouden in de kerkgeschiedenis die stemmen inderdaad opgaan. Het lijkt misschien wat overdreven van Paulus om dit ’leringen van demonen’ te noemen. Maar dan ontgaat ons de boosaardige gedachte die achter deze leringen schuil-gaat. Luister naar Paulus’ motivatie:
‘Want elke schepping van God is goed en niets is verwerpelijk, als [het] met dankzegging in ontvangst genomen wordt.’
Het verplichte celibaat en het verplichte vasten blijken niet op zichzelf te staan. Het is een ontkenning dat Gods schepping goed is. Het goede dat een mens kan genieten in het huwelijk (lees: seksuele gemeenschap) en eten, zou verwerpelijk zijn. De basis van dit denken vinden we terug in klassiek-christelijke formuleringen. Niet alleen binnen de rooms katholieke kerk. Zo spreken ook ‘de drie formulieren van Enigheid’ van ‘de verdorven natuur’ van de mens. Dat kent de Schrift niet. Want niet de natuur is verdorven maar juist het afwijken van de natuur (Romeinen 1:26,27). Of wat dacht u van veel Bijbelvertalingen die in 1Korinthiërs 2:14 over ‘de natuurlijke mens’ spreken. Ten onrechte, want Paulus spreekt niet van de natuurlijke mens maar van ‘de zielse mens’. De natuur is goed. Het afwijken van de natuur is fout.
Met de ’verdorven natuur’ van de mens kwam ook het idee dat de mens zijn eigen vlees zou moeten haten en daartegen zou moet strijden. Al deze formuleringen hebben gemeenschappelijk dat ze het lijfelijke en de lust als verwerpelijk beschouwen. Maar het is een ontering van God als Schepper van alle dingen. Het genieten van een maaltijd of een goed glas wijn is een gave van God. En niemand minder dan de Schepper zelf is de bedenker van seks en het verlangen daarnaar. Van oudsher huichelt de kerk hierover. Men zegt dat Gods schepping goed is maar men bedoelt dat de menselijke natuur boos is. Waarom zou men kinderen hebben geïnstrueerd om met de handen boven de dekens te slapen? Men was bang dat ze het eigen lijf zouden ontdekken en begeerten zouden worden opgewekt. En waarom denkt u dat men zelfbevrediging onanie noemde, terwijl wat Onan deed, daar niets mee te maken heeft?
Het is juist de (seculiere) wereld die op dit terrein ‘de huichelarij van valse woorden’ feilloos aan de kaak weet te stellen. Hoeveel ‘geestelijken’ zijn de laatste decennia niet door de mand gevallen vanwege hun vergrijp aan jongens en meisjes? In het donker doen wat men op klaarlichte dag veroordeelt. Dat is huichelarij. Maar het is nog erger. Paulus spreekt in dit verband van een ‘gebrandmerkt geweten’ d.w.z. een geweten dat is dichtgeschroeid (1Timotheüs 4:2). Met een vroom gezicht preken tegen de natuur en onderwijl misbruik maken van de eigen machtspositie en tal van jonge mensen levenslang in de vernieling helpen. Dat is gewetenloos. Het zijn de wrange vruchten van ‘leringen van demonen’. Leringen die hun wortels hebben in het verwerpelijk achten van Gods goede schepping.