Het adres van een Bijbelgedeelte
God heeft Zich in Zijn Woord op verschillende manieren geopenbaard. De historische, profetische en literaire delen zijn doorgaans overgeleverd in de vorm van korte rollen of pamfletten. Zijn laatste en hoogste mededelingen zijn tot ons gekomen in de vorm van brieven, of – vanwege hun formele en publieke karakter – geschriften.
Wanneer een postbode een grote stapel post bezorgt, moet deze eerst worden gesorteerd als meerdere personen post ontvangen op hetzelfde adres. Nog vóór we een brief openen, kijken we of deze daadwerkelijk aan ons is gericht.
In vroegere tijden bestonden er geen enveloppen. Daarom werd het adres van een geschrift opgenomen in de beginregels ervan. Zo beginnen ook de briefgedeelten van de Schrift gewoonlijk met een duidelijke aanduiding van de afzender en de geadresseerden. De brieven van Petrus en Jacobus zijn hiervan duidelijke voorbeelden.
Jacobus aan de twaalf stammen
Geen van de zogenoemde besnijdenisgeschriften duidt zo expliciet de groep aan voor wie de brief is geschreven als de brief van Jacobus aan de twaalf stammen in de verstrooiing. Het contrast met de brieven van Paulus is zo uitgesproken, dat Luther het gezag ervan betwistte en er talloze pogingen zijn ondernomen om beide met elkaar te verzoenen – zonder ooit tot een werkelijk bevredigende oplossing te komen.
Zodra wordt begrepen dat deze brief aan een andere groep is gericht dan aan hen in de huidige bedeling, verdwijnt de noodzaak tot verzoening en wordt men niet langer verleid om beide boodschappen met elkaar in overeenstemming te brengen.
De brief opent met de woorden:
“Jacobus, een slaaf van God en van de Heer Jezus Christus, aan de twaalf stammen in de verstrooiing.”
(Jac. 1:1, eigen concordante vertaling )
Niets is eenvoudiger dan dit: deze brief is geadresseerd aan een specifieke groep. Hij is niet gericht aan de stammen in het land, en het is absoluut onmogelijk hem zonder meer toe te passen op de heidenvolken zonder grote verwarring te veroorzaken.
Let op: deze brief is dus niet aan mij geschreven, maar aan de twaalf stammen in de verstrooiing. Natuurlijk kan ik van de inhoud leren, maar ik moet er wel rekening mee houden dat hij niet rechtstreeks tot mij is gericht.
Petrus aan de verstrooiing
Petrus schreef aan de bannelingen in de verstrooiing, gevestigd in de meest noordelijke provincies van wat wij nu Klein-Azië noemen. Dit beperkt de doelgroep tot de Besnijdenis, want de heidenen werden nooit uit hun eigen land verstrooid.
Het kan echter ook niet slaan op de algemene verstrooiing van de Joden, aangezien slechts weinigen van hen gelovig waren. Zonder twijfel verwijst dit naar de verstrooiing die volgde op de steniging van Stefanus, toen vele Joodse gelovigen, ten gevolge van voortdurende vervolgingen, in ballingschap gingen. Nadat zij waren gevlucht voor hun fanatieke volksgenoten, ontdekten zij dat ook hun asielgevers zich tegen hen keerden, mede door valse beschuldigingen die onder Nero zelfs een officieel karakter kregen.
Deze besnijdenisgeschriften zijn niet aan ons geadresseerd. Hun diepste toepassing ligt zonder twijfel bij de zonen van Israël, nadat de huidige bedeling van Gods genade is beëindigd en God Zich opnieuw tot de Besnijdenis wendt bij het begin van de dag van de Heer. Dan zal het oordeel beginnen bij het huis van God, en zullen zij bezocht worden door beproevingen, zoals de brieven voorspellen. In die tijd en onder die omstandigheden zal de boodschap van Petrus volledig worden aanvaard en werkelijk begrepen.
Zoals het voor Petrus moeilijk was de brieven van Paulus te begrijpen (2 Petr. 3:16), zo kunnen ook wij slechts door ons eerlijk te verplaatsen in de positie van de oorspronkelijke geadresseerden, hun boodschap enigszins verstaan.
Petrus ontving zijn opdracht tot het schrijven van deze brieven van de Heer na diens hemelvaart. Aan de oever van het Meer van Tiberias, na de wonderbare visvangst, krijgt hij de opdracht de schapen van de Heer te weiden (Joh. 21:15–17). Deze taak vervult hij in zijn pastorale brieven.
De geadresseerden zijn, in tegenstelling tot “de gemeente die Zijn lichaam is”,
“een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie”
(1 Petr. 2:9, NBG).
De brieven van Johannes
Johannes had, net als Petrus en Jacobus, een bediening voor de Besnijdenis en beschouwde de naties als de uiterste rand van de gemeenschap (3 Joh. 7). Zelfs wanneer hij het blikveld van de zegen verruimt tot de gehele wereld, blijft hij de nadruk leggen op het verband met de geliefde natie:
“Hij is de verzoening voor onze zonden, en niet alleen voor de onze, maar ook voor die der gehele wereld.” (1 Joh. 2:2, NBG)
De sleutel tot het karakter en de toepassing van Johannes’ bediening – zowel persoonlijk als schriftelijk – ligt in de vraag van de Heer aan Petrus:
“Indien Ik wil dat hij blijft totdat Ik kom, wat gaat het u aan?” (Joh. 21:22, NBG)
De Heer zei hiermee niet dat Johannes letterlijk tot Zijn wederkomst zou blijven leven, maar geestelijk gezien is dit zonder twijfel waar.
Opmerkelijk is dat Johannes zich in zijn brieven nergens beroept op zijn apostelschap. In zijn tweede en derde brief noemt hij zich slechts ouderling. Dit onderstreept het persoonlijke karakter van deze korte brieven, maar laat tevens de afnemende autoriteit van de twaalf apostelen zien naarmate de afval van de gekozen natie voortschreed. In het laatste deel van het boek Handelingen vinden wij hen niet langer in Jeruzalem terug.
De brieven van Paulus
Paulus noemt in zijn brieven altijd eerst zijn naam, gevolgd door het onderwerp van zijn schrijven en een omschrijving van de geadresseerden. De naam Paulus klinkt vreemd voor wie gewend is aan de Hebreeuwse namen van de oudere geschriften. Hoewel Paulus een Israëliet was, veranderde God zijn Hebreeuwse naam Saulus in de Romeinse naam Paulus. Deze verandering vond plaats tijdens een keerpunt in zijn bediening, toen hij werd afgezonderd voor een bijzondere opdracht aan de volken (Hand. 13:2–3).
Opmerkelijk is dat juist bij de eerste rechtstreekse verkondiging van het evangelie aan een heiden – de proconsul Sergius Paulus – vermeld wordt dat Saulus “ook Paulus genoemd” werd. De tegenstand van Elymas, de tovenaar, vormt hierbij een profetisch beeld: hij vertegenwoordigt Israël en de weerstand tegen Paulus’ bediening onder de volken. Paulus’ oordeel over hem – tijdelijke blindheid – is een treffend miniatuur van zijn gehele bediening: tijdens Israëls blindheid wordt redding gebracht aan de volkeren (Hand. 13:6–12).
Paulus presenteert zichzelf naar het karakter van zijn brief. Gaat het om dienstbetoon, dan noemt hij zich een slaaf. Waar broederschap centraal staat, voegt hij anderen bij zijn groet. De zogenoemde volkomenheidsbrieven – Efeziërs, Filippenzen en Kolossenzen – illustreren dit duidelijk.
De openbaring van de geheimenissen hangt nauw samen met Paulus’ apostolische volmacht. Zijn apostelschap was uniek: niet gebaseerd op een aardse roeping, maar op een openbaring van de verheerlijkte Christus. Hij is apostel van Christus Jezus, niet van Jezus Christus, de verworpen Messias.
Het woord apostel betekent niet eenvoudig “gezondene”, maar duidt op iemand die met volmacht is aangesteld als vertegenwoordiger. Paulus ontving deze volmacht rechtstreeks van de Heer, niet via de twaalf. Dit onderscheid maakt het onmogelijk dat hij ooit tot hun kring zou hebben behoord.
Paulus schrijft herhaaldelijk dat zijn apostelschap berust op de wil van God (1 Kor. 1:1; 2 Kor. 1:1; Kol. 1:1; 2 Tim. 1:1). Dit wijst op een nieuw vertrekpunt in Gods handelen. Een bijzonder aspect van zijn roeping was dat hij Gods wil zou kennen (Hand. 22:14) – niet in de zin van reeds geopenbaarde Schriftkennis, maar van verborgen zaken die tot dan toe onbekend waren. Het was Paulus’ unieke voorrecht nieuwe terreinen van Gods voornemen te openbaren.