Het Kaïnsteken: concilies en de structurele vernedering van de Joden

Wat is het Kaïnsteken?

Het Kaïnsteken is een door kerkelijke concilies gelegitimeerd onderscheidingsteken dat Joden vanaf de Middeleeuwen verplicht moesten dragen. Het werd officieel vastgelegd tijdens het Vierde Lateranen Concilie (1215) onder paus Innocentius III en diende om Joden zichtbaar te onderscheiden, te vernederen en sociaal uit te sluiten op basis van theologische argumenten.

Het Kaïnsteken

Concilies, theologie en de structurele vernedering van de Joden

Het zogenoemde Kaïnsteken vormt één van de meest schrijnende voorbeelden van hoe kerkelijke concilies theologische ideeën hebben vertaald naar concrete, vernederende maatregelen. Het is de persoonlijke wens van paus Innocentius III dat de Joden eindelijk ook daadwerkelijk het teken gaan dragen dat volgens hem bij hen past. Die wens spreekt hij al uit in het jaar 1204, ruim tien jaar vóór het grote concilie in Rome.

De kerkvader Augustinus had het Kaïnsteken al eerder in verband gebracht met de Joden. De redenering is eenvoudig en onthutsend: de Joden worden vergeleken met Kaïn. Kaïn vermoordde zijn broer en kreeg een teken, opdat hij niet gedood zou worden. Op vergelijkbare wijze zouden de Joden Christus hebben vermoord en daarom eveneens een teken moeten dragen. Zoals Kaïn een dolend en zwervend bestaan leidde, zo zou dit ook voor de Joden gelden. [Dit komt bekend voor; de Jodenster in 40-45]

Deze gedachte – dat de vernederde en onderworpen positie van de Joden het bewijs zou zijn van hun ongelijk en van de waarheid van het christendom – vormt een theologisch fundament onder eeuwen van uitsluiting.

Het Vierde Lateranen Concilie (1215)

Het grootste en meest invloedrijke concilie van de Middeleeuwen vindt in 1215 in Rome plaats: het Vierde Lateranen Concilie. Honderden bisschoppen, abten en wereldlijke heersers uit vrijwel de gehele christelijke wereld zijn daarbij aanwezig. Het concilie staat onder voorzitterschap van paus Innocentius III en markeert het hoogtepunt van de pauselijke macht.

Tijdens dit concilie wordt de wens van de paus officieel vastgelegd. In Canon 68 wordt bepaald dat Joden (en ook moslims) verplicht zijn onderscheidende kleding te dragen, zodat zij duidelijk te herkennen zijn en zich onderscheiden van christenen. Het doel is expliciet: sociale scheiding, controle en voorkoming van “vermenging”.

Dit besluit staat niet op zichzelf. Het bouwt voort op eerdere conciliaire besluiten, zoals die van het Derde Lateranen Concilie (1179), waarin Joden al werden uitgesloten van openbare ambten, en zelfs op besluiten uit de vroege Middeleeuwen, zoals de Synode van Orleans (538), waar Joden werd verboden zich tijdens de Paasweek in het openbaar te vertonen.

Kleur, symboliek en religieuze vernedering

Hoewel het Vierde Lateranen Concilie geen specifieke kleur of vorm voorschrijft, ligt de kleur geel voor de hand. In de middeleeuwse beeldtaal is geel de kleur van schande, bestemd voor misdadigers, hoeren, ketters en Joden. De gele vlek moet Joden voortdurend herinneren aan wat door de kerk wordt gezien als hun schuld aan de kruisiging van Christus.

Opmerkelijk is dat dezelfde paus Innocentius III die het Kaïnsteken voor Joden invoert, ook de kleuren van de Roomse kerkelijke gewaden vaststelt: wit, rood, paars, roze, groen en zwart. De kleur geel ontbreekt volledig. Daarmee wordt de symbolische scheiding tussen ‘heilig’ en ‘vervloekt’ ook visueel onderstreept.

De auteur wijst bovendien op parallellen met het boek Openbaring, waar de vrouw – “de grote hoer” – wordt beschreven als bekleed met purper en scharlaken (Openbaring 17:4). Juist deze kleuren domineren in Rome. “17En de vrouw was bekleed met purper en scharlaken, en getooid met goud, edelgesteente en parels 

Vorm en betekenis van het Kaïnsteken

Vaak heeft het Kaïnsteken een ronde vorm. Deze ronde vorm staat, net als de hostie, symbool voor het lichaam van Christus. Het teken brandmerkt de Jood vanwege wat als zijn zonde wordt gezien. Door het dragen van deze vorm wordt de Jood voortdurend herinnerd aan de kruisiging van Christus en zijn vermeende aandeel daarin.

Zo reduceert het teken Joden tot verachte ‘godsmoordenaars’, zichtbaar en herkenbaar in het dagelijks leven.

Schijn-theologische onderbouwing

Het voorschrift tot het dragen van deze schandtekens wordt door het concilie zelfs theologisch gelegitimeerd. Men grijpt terug op Numeri 15:37–41, waar Israëlieten de opdracht krijgen gedenkkwastjes aan de hoeken van hun kleding te dragen.

Deze tekst wordt zo uitgelegd dat het Joodse volk altijd al bedoeld was om zich uiterlijk te onderscheiden. In deze verdraaiing van de Schrift past het Kaïnsteken vervolgens probleemloos.

Onderscheidingstekens als structureel beleid

De maatregelen van het Vierde Lateranen Concilie zijn gericht op uitsluiting en discriminatie. Hier ontstaat de directe voorloper van de gele Davidster. Wereldlijke overheden worden vanuit Rome aangespoord streng toe te zien op de naleving.

Met name de pausen Gregorius IX en Innocentius IV zorgen ervoor dat het dragen van het Kaïnsteken zich over vrijwel geheel Europa verspreidt. Zes eeuwen lang zijn Joden van verre herkenbaar. Elk land en elke periode kent eigen varianten, maar de ronde vorm en de kleur geel blijven dominant.

In het christelijke denken worden Joden steeds meer gezien als vreemdelingen en als mensen van een andere orde. Deze ontmenselijking vormt de voedingsbodem voor latere rassenleer.

Regionale varianten en latere doorwerking

In Midden-Europa wordt de zogenoemde Jodenhoed, al bekend vanaf de achtste eeuw, verplicht gesteld als vernederend kenteken. Later maken deze hoeden plaats voor helmvormige kappen en uiteindelijk voor ronde Jodenvlekken. Soms worden meerdere tekens gecombineerd.

In het Oostenrijks-Habsburgse rijk voert Maria Theresia – ruim vijf eeuwen na het concilie van 1215 – Jodenverordeningen in waarbij iedere Jood een geel lint moet dragen en getrouwde mannen hun baard niet mogen afscheren. Zo blijkt hoe conciliaire besluiten een lange juridische en culturele schaduw werpen.

Maria Theresia schrijft zelfs een keer: “Ik ken in het land geen ergere pest dan dit volk.” Ondertussen heeft ze wel een hele kring van Joodse deskundigen zoals hof bankiers, financiers en adviseurs in haar paleis. Vreemd is dit wel; gebruik maken van de wijsheid, vindingrijkheid en, net als in onze tijd, de vele uitvindingen door Joden gedaan, en hen toch het licht in de ogen niet gunnen. De vernederende kentekenen op de kleding zijn voor sommigen niet opvallend genoeg. Op het concilie in Wenen in 1267 worden hoge hoeden met twee punten voorgeschreven, zodat Joden van verre al te zien zijn.

Concilies als precedent

Wat in 1215 kerkelijk wordt vastgelegd, groeit uit tot juridisch precedent. Kerkelijke wetten en wereldlijke wetgeving raken met elkaar verweven. De structuur van uitsluiting, herkenningstekens en gettovorming die door concilies wordt gelegitimeerd, zal eeuwen later vrijwel één op één terugkeren in moderne totalitaire systemen.

Het Kaïnsteken laat daarmee zien hoe concilies, wanneer zij loskomen van de Schrift en gewetensvrijheid, niet slechts leerstellige gevolgen hebben, maar maatschappijen blijvend kunnen vergiftigen.

Het Kainsteken Pdf
PDF – 268,7 KB 2 downloads