De Zoon van Gods liefde
“Hij is het beeld van de onzichtbare God, de Eerstgeborene van heel de schepping. Want in Hem zijn alle dingen geschapen, in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare: hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen. En Hij is vóór alle dingen, en alle dingen bestaan samen in Hem. En Hij is het hoofd van het lichaam, de gemeente; Hij die het begin is, de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in alle dingen de eerste plaats zou innemen. Want het behaagde de hele volheid in Hem te wonen en door Hem alle dingen tot Zichzelf te verzoenen, nadat Hij vrede gemaakt had door het bloed van Zijn kruis—door Hem—hetzij de dingen op de aarde, hetzij de dingen in de hemelen.” (Kol. 1:15-20)
Paulus schrijft aan de christenen in Kolosse dat het Gods bedoeling is om door Jezus Christus “alle dingen tot Zichzelf te verzoenen” en “vrede te maken door het bloed van Zijn kruis” (Kol. 1:20). Het onderwerp van zijn lofzang is “de Zoon van Gods liefde” (Kol. 1:13).
Die uitdrukking kan twee accenten hebben. Ze kan betekenen: de Zoon die door God geliefd wordt—want bij Jezus doop en bij Zijn verheerlijking op de berg zei de Vader: “Deze is Mijn geliefde Zoon, in wie Ik welbehagen heb” (Matth. 3:17; 17:5). Maar ze kan ook betekenen: de Zoon door wie God Zijn liefde bewijst. In het licht van Paulus’ slotwoorden over verzoening en vrede (Kol. 1:20) ligt dat tweede accent voor de hand: door de Zoon openbaart God Zijn liefde en werkt Hij Zijn doel uit.
Paulus laat vervolgens zien wie de Messias is en wat God door Hem tot stand zal brengen.
1. Het beeld van de onzichtbare God
In vers 15 noemt Paulus de Zoon “het beeld van de onzichtbare God”. Aan de Korintiërs schreef hij al dat Christus “het beeld van God” is (2 Kor. 4:4). En de Hebreeënbrief spreekt in dezelfde lijn:
“Hij is de uitstraling van Gods heerlijkheid en de afdruk van Zijn wezen.” (Hebr. 1:3)
In de grondtekst van Kolossenzen 1:15 staat voor “beeld” het woord eikôn (waar ons woord icoon van is afgeleid). Een beeld is een zichtbare weergave van een origineel: een schilderij, foto, gravure, sculptuur, stempelafdruk of spiegelbeeld. Sommige beelden maken het origineel niet alleen zichtbaar, maar ook hoorbaar (zoals film- of televisiebeelden).
Dat is ook de Bijbelse betekenis. Toen Jezus een strikvraag kreeg over belasting betalen, vroeg Hij:
“Van wie is dit beeld (eikôn) en dit opschrift?” (Matth. 22:20; vgl. Mark. 12:15-17; Luk. 20:23-26)
Op de munt stond het gezicht van de keizer: een herkenbare weergave van Caesar.
De Bijbel spreekt zelfs over een “beeld” dat ook kan “spreken” (Openb. 13:14-15). Hoe men dit precies voor zich ziet—als standbeeld, projectie of iets anders—het punt is dat het beeld zichtbaar én hoorbaar kan zijn en gehoorzaamheid opeist.
Wanneer Paulus Christus “het beeld van de onzichtbare God” noemt, bedoelt hij dat de Zoon in heel Zijn optreden een volmaakte weerspiegeling is van de Vader. “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien” (Joh. 14:9). Tegelijk maken de woorden “beeld” en “afdruk” ook duidelijk dat Vader en Zoon niet identiek zijn: God is de Onzichtbare, terwijl Christus zichtbaar is en als mens in ruimte en tijd verschijnt.
Daarom klinkt in de Schrift ook:
- “Voor ons is er maar één God: de Vader…” (1 Kor. 8:6-7)
- “Er is één God en ook één Middelaar tussen God en mensen: de mens Christus Jezus” (1 Tim. 2:5-6)
De Bijbel noemt God “de Onzichtbare” (Hebr. 11:27; 1 Tim. 1:17). Niemand heeft Hem ooit gezien (Joh. 1:18), en geen mens kan Hem zien (1 Tim. 6:16). Juist daarom is Christus van beslissende betekenis: Hij maakt God bekend en zichtbaar voor mensen.
Noot bij Johannes 1:18
In Joh. 1:18 staat het werkwoord “is” in de tegenwoordige tijd: de Zoon “is in de schoot van de Vader”. Dat sluit aan bij het getuigenis dat Hij na Zijn verhoging aan Gods rechterhand is (vgl. Hebr. 1:3).
2. “Eerstgeborene van heel de schepping”
Paulus noemt Christus ook “de Eerstgeborene van heel de schepping” (Kol. 1:15). Hij gebruikt daarvoor het woord prototokos. In de Bijbel kan dat woord twee hoofdnuances hebben:
- Eerstgeborene in tijd: het oudste kind (zoals Ezau in het gezin van Isaak).
- Eerstgeborene in rang: de hoogste, de erfgenaam, de voornaamste.
Psalm 89 laat zien dat “eerstgeborene” ook een rangtitel kan zijn:
“Ik zal hem tot een eerstgeborene stellen, tot de hoogste van de koningen der aarde.” (Ps. 89:28)
In Kolossenzen 1 ligt deze tweede nuance dichtbij, omdat Paulus direct spreekt over machten en gezagsdragers (“tronen… heerschappijen… overheden… machten”, Kol. 1:16) en vervolgens over Christus’ eerste plaats in alles (Kol. 1:18). Ook elders wordt deze verheven positie genoemd:
- “Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde” (Matth. 28:18)
- Christus is “het hoofd van alle overheid en gezag” (Kol. 2:10)
- God zette Hem “boven alle overheid, gezag, kracht en heerschappij” (Efz. 1:20-21)
- Engelen, machten en krachten zijn Hem onderworpen (1 Petr. 3:22)
- “God heeft Hem uitermate verhoogd…” (Fil. 2:9-11)
- God stelde Hem “tot erfgenaam van alle dingen” (Hebr. 1:2)
In deze lijn betekent “Eerstgeborene van heel de schepping” vooral: de Erfgenaam en de Hoogste over de schepping.
3. “In Hem zijn alle dingen geschapen”
Paulus schrijft: “In Hem zijn alle dingen geschapen” (Kol. 1:16). Dat wordt vaak gelezen alsof er staat: “door Hem zijn alle dingen geschapen”. Maar Paulus’ formulering (“in Hem”) kan ook wijzen op het scheppen naar een voorbeeld.
Zoals Mozes de tabernakel moest maken “naar het voorbeeld” dat hem getoond was (Hebr. 8:5; vgl. Ex. 25:40), zo lezen we ook over de mens:
“God schiep de mens naar Zijn beeld.” (Gen. 1:27; vgl. Gen. 9:6)
Binnen deze gedachtegang betekent “in Hem” dat God bij het scheppen—met name van wezens met verstand en verantwoordelijkheid—handelde met het Beeld als richtlijn. Paulus concretiseert “alle dingen” vervolgens vooral als: “tronen… heerschappijen… overheden… machten” (Kol. 1:16): gezagsstructuren in de zichtbare en onzichtbare wereld.
De bijzin “alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen” (Kol. 1:16) kan bovendien zo worden verstaan dat deze schepping op Hem gericht is. Het voorzetsel dia kan namelijk ook de betekenis “ten behoeve van” of “vanwege” dragen. De kern blijft: de schepping staat in relatie tot Hem, en is bestemd om uiteindelijk onder Zijn heerschappij te komen.
4. “Hij is vóór alle dingen”
Paulus schrijft niet dat Christus “vóór alle dingen was”, maar dat Hij “vóór alle dingen is” (Kol. 1:17). Dat kan, binnen Bijbels taalgebruik, wijzen op voorrang en superioriteit: Hij staat boven alles.
Hetzelfde taalpatroon komt terug in Jakobus 5:12 (“Vóór alles… zweert niet”) en 1 Petrus 4:8 (“Vóór alles… hebt vurige liefde”). Daar betekent het niet “eerder in tijd”, maar “het belangrijkste”.
Daarnaast kent de Schrift ook de gedachte dat iets “vóór” kan bestaan in Gods plan. Petrus zegt dat Christus “voorgekend” was vóór de grondlegging van de wereld, maar pas in de laatste tijden is geopenbaard (1 Petr. 1:20). Ook Paulus spreekt over genade die “vóór de tijden der eeuwen” gegeven is, maar pas geopenbaard werd (2 Tim. 1:9-10).
Kortom: Christus is vóór alle dingen—in rang, en (waar men dat bedoelt) ook in Gods voornemen.
5. “Alle dingen bestaan samen in Hem”
Paulus voegt toe: “alle dingen bestaan samen in Hem” (Kol. 1:17). Het gebruikte werkwoord (sunistēmi) betekent letterlijk: samen plaatsen / samen voegen. De gedachte kan zijn dat de schepping met haar verbanden en ordeningen zó is ingericht dat zij uiteindelijk uitloopt op Gods doel met Christus: Hij is de Erfgenaam, en de geschiedenis beweegt zich naar Zijn koningschap.
Dat betekent niet dat de Vader “verdrongen” is. In de Hebreeënbrief is juist de Vader degene die “alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht” (Hebr. 1:3). De Vader ordent en draagt, met het oog op het einddoel dat Hij aan Zijn Zoon geeft wat Hem toekomt (Hebr. 1:2).
6. Hoofd van het lichaam: de gemeente
Paulus zegt vervolgens: “Hij is het hoofd van het lichaam, de gemeente” (Kol. 1:18). Ook binnen de gemeenschap van gelovigen neemt Christus de eerste plaats in. In Efeziërs wordt dit beeld verder uitgewerkt:
- God gaf Hem “als hoofd over alles aan de gemeente, die Zijn lichaam is” (Efz. 1:22-23)
- Vanuit Christus groeit het lichaam, “samengevoegd en verbonden” (Efz. 4:15-16)
- Christus is het hoofd van de gemeente en “Behouder van het lichaam” (Efz. 5:23)
Hoofd en lichaam horen bij elkaar: het hoofd bestuurt, het lichaam is de aanvulling. De eenheid van Christus en Zijn gemeente zal in volheid zichtbaar worden bij de opstanding, wanneer gelovigen “altijd met de Heer zullen zijn” (1 Thess. 4:17).
7. Het begin en de Eerstgeborene uit de doden
Paulus noemt Christus “het begin” en “de Eerstgeborene uit de doden” (Kol. 1:18). Beide woorden kunnen zowel tijd als rang aanduiden.
- Christus is het begin van de opstanding, omdat Hij als eerste tot onvergankelijk leven is opgewekt (1 Kor. 15:20-23; 2 Tim. 1:10).
- Hij is ook Heer over de doden, omdat Hij alle doden zal opwekken (Joh. 5:25-29; Rom. 14:8-9). Jawel: ALLEMAAL
Paulus’ doel zin maakt het duidelijk: “opdat Hij in alle dingen de eerste plaats zou innemen” (Kol. 1:18). Het gebruikte werkwoord (proteuō) betekent: de voornaamste zijn, de hoogste plaats innemen.
8. Gods einddoel: verzoening van “de allen”
Het slot van de lofzang wijst op Gods doel:
“Want het behaagde de hele volheid in Hem te wonen en door Hem alle dingen tot Zichzelf te verzoenen…” (Kol. 1:19-20)
- a) De volheid van de Godheid in Christus
Paulus verduidelijkt later:
“In Hem woont heel de volheid van de Godheid lichamelijk.” (Kol. 2:9)
“Lichamelijk” wijst op Christus’ zichtbare, menselijke verschijning: God is onzichtbaar en alomtegenwoordig, maar in Christus wordt alles wat van God kenbaar is voor mensen belichaamd. In Hem zijn “alle schatten van wijsheid en kennis” verborgen (Kol. 2:3).
- b) “Alle dingen” als verstandige schepselen
Paulus’ context (Kol. 1:16-20) richt “alle dingen” vooral op schepselen met verantwoordelijkheid: mensen en machten (“tronen… heerschappijen… overheden… machten”). Het gaat om wezens die vervreemd en vijandig kunnen zijn (Kol. 1:21).
- c) Verzoening als opheffing van vijandschap
Het werkwoord voor “verzoenen” (apokatallassō) duidt op het beëindigen van vervreemding en vijandschap. Gelovigen waren “vroeger vreemd en vijandig gezind”, maar zijn nu verzoend (Kol. 1:21-22). De Bijbel spreekt ook over vijandige machten (Efz. 6:12).
- d) Verzoening werkt ook horizontaal
Wanneer schepselen met God verzoend worden, wordt ook hun onderlinge vijandschap doorbroken (vgl. Efz. 2:11-22).
- e) God wordt niet met de wereld verzoend
De Schrift spreekt wel over de wereld die vijandig staat tegenover God, maar niet over God die vijandig zou zijn tegenover Zijn schepping. Hij is “de gelukkige God” (1 Tim. 1:11; 6:15) en werkt toe naar het moment dat God “alles in allen” zal zijn (1 Kor. 15:28).
- f) “Vrede maken” is doelgericht
De vrede die door het kruis tot stand komt, is nu al werkelijkheid bij gelovigen (Kol. 1:22-23), maar Gods doel reikt verder: zolang er nog vijandschap is, is de verzoening van “de allen” nog niet voltooid.
- g) Ook “de dingen in de hemelen”
Paulus benadrukt dat de verzoening niet alleen de aarde betreft, maar ook “de dingen in de hemelen” (Kol. 1:20). Gods plan omvat het samenbrengen “onder één hoofd” van alles in hemel en op aarde (Efz. 1:10).
9. “Vrede door het bloed van Zijn kruis”
Soms wordt Kolossenzen 1:20 zo gelezen alsof God door het kruis Zijn eigen toorn moest stillen. Maar Paulus’ vervolg wijst een andere richting: het kruis verandert vijandige schepselen in verzoende mensen.
Aan de Romeinen schrijft Paulus:
“God bevestigt Zijn liefde voor ons daarin dat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren.” (Rom. 5:8; vgl. 5:6-8)
Ook Johannes zegt:
“Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij Zijn leven voor ons heeft afgelegd.” (1 Joh. 3:16)
En:
“Hierin is de liefde: niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons liefgehad heeft …” (1 Joh. 4:10)
Het kruis is dus een openbaring van Gods liefde, die vijandschap breekt en mensen (en uiteindelijk “de allen”) tot vrede brengt.
Paulus verwoordt dit kernachtig in 2 Korintiërs 5:
“God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende, hun overtredingen hun niet toerekenend…” (2 Kor. 5:19; vgl. 5:14-20)
Daarom klinkt de oproep: “Laat u met God verzoenen” (2 Kor. 5:20).
Samenvatting
- Kolossenzen 1:15-20 spreekt vooral over Christus’ voorrang en superioriteit. Termen als prototokos (“eerstgeborene”) en pro pantōn (“vóór alles”) wijzen op Zijn hoogste plaats.
- Als “Beeld van de onzichtbare God” openbaart Christus God volmaakt in mensengedaante, zonder dat Vader en Zoon identiek worden: God blijft de Onzichtbare; Christus verschijnt “lichamelijk” (Kol. 2:9).
- “In Hem zijn alle dingen geschapen” kan wijzen op scheppen naar het voorbeeld van het Beeld, zoals de mens geschapen is naar Gods beeld (Gen. 1:27; 9:6).
- Mensen en hemelwezens met verantwoordelijkheid vallen onder Paulus’ termen “tronen, heerschappijen, overheden en machten” (Kol. 1:16).
- “Alle dingen bestaan samen in Hem” duidt op Gods ordening van schepping en geschiedenis met het oog op Christus als Erfgenaam.
- Gods doel is verzoening van “de allen”: vervreemding en vijandschap worden opgeheven; gelovigen zijn nu al verzoend (Kol. 1:21-23).
- Verzoening omvat aarde én hemelen: ook vijandige machten in de hemelse gewesten vallen binnen Gods plan (Kol. 1:20; Efz. 1:10).
- Het kruis is het middel waardoor God vrede tot stand brengt: niet omdat God vijandig was, maar omdat vijandige schepselen door Gods liefde tot vrede worden gebracht (Rom. 5:8; 2 Kor. 5:19).