Als we niet weten wat we moeten bidden
Romeinen 8–9
Bidden, danken en Gods voornemen
Inleiding
In Romeinen 8 stelt Paulus dat wij niet weten wat wij naar behoren zullen bidden (letterlijk: “naar wat moet zijn”).¹ Maar, zo voegt hij eraan toe: wij weten wél dat God alles doet samenwerken ten goede voor hen die Hem liefhebben.² Dat geeft reden om het bidden niet te laten, maar om het in elk geval te doortrekken naar danken: wij hoeven niet wanhopig te zoeken naar de juiste woorden, want Gods plan staat vast.
1. God liefhebben en niets hoeven te verbeelden
Mensen die God liefhebben hoeven zich niets te verbeelden. Zij zijn daartoe voorbestemd in Gods voornemen (plan). Dat stond al vast vóór hun geboorte — en dus ook voordat er iets goeds of kwaads gedaan kon worden.³ (Voor de grondlegging der wereld)
Geloof in verkiezing en voorbestemming maakt ootmoedig. Wij kunnen niets aan ons heil toe- of afdoen. Inderdaad: *“nog geen nagelschrapsel.”*⁴
2. Angst voor verkiezing ontstaat door onbegrip van Gods einddoel
Voor honderdduizenden mensen in ons land zijn uitverkiezing en voorbestemming begrippen die hun de stuipen op het lijf jagen. Dat komt niet zelden doordat men Gods einddoel niet kent. Men denkt in termen van een eindeloze verdoemenis.
De Schrift laat echter zien dat God Zich uiteindelijk over allen zal ontfermen.⁵ Niet als een noodoplossing, maar als het gevolg van Zijn eigen raad en bedoeling. Paulus brengt Gods voornemen ter sprake om daarmee de eigen werken van de mens terzijde te stellen.
Ook 2 Timotheüs 1 maakt dit helder: zowel onze redding als onze roeping lagen al vast *“vóór eeuwige tijden.”*⁶
3. “Vóór eeuwige tijden”: een bom onder de gedachte van eindeloze eeuwigheid
De frase “vóór eeuwige tijden” (letterlijk: aeonische tijden) vormt een uitdaging voor een theologie die uitgaat van een eindeloze eeuwigheid. Aeonen hebben te maken met tijden: tijdperken met een begin én een einde.⁷
Deze gedachte raakt diep aan de manier waarop wij Gods heilsplan lezen. Niet omdat God beperkt zou zijn, maar omdat de Schrift spreekt over onderscheiden tijdperken waarin Zijn plan zich ontvouwt.
4. De aorist in Romeinen 8:29–30
Het is belangrijk op te merken dat in Romeinen 8:29 en 30 in de grondtekst telkens de aorist gebruikt wordt. Aorist wil zeggen: “zonder horizon.” Het feit wordt gesteld zonder begrenzing van tijd.
De gebruikelijke weergave als voltooid verleden tijd (“heeft…”) kan daarom misleidend zijn. Dat blijkt ook hier, want God heeft ons nog niet verheerlijkt. Vers 17 laat juist zien dat onze verheerlijking toekomst is.⁸
5. De gouden ketting: vijf schakels
In Romeinen 8:29–30 wordt een gouden ketting beschreven met vijf schakels:
- Die Hij kende — bestemde Hij ook tevoren.
- Die Hij tevoren bestemde — die roept Hij ook.
- Die Hij roept — die rechtvaardigt Hij ook.
- Die Hij rechtvaardigt — die verheerlijkt Hij ook.
Wanneer Degene Die het heelal in handen heeft vóór ons is, wat kan er dan tegen ons zijn?⁹
Antwoord: helemaal niets.
6. Tegenslag en zuchten: niet negatief, maar barensnood
Schijnbaar is er genoeg tegen ons. Tegenslagen treffen ons allen in het leven — vroeg of laat, meer of minder. Paulus schrijft dat de ganse schepping zucht, en ook wij als gelovigen.¹⁰
Maar dit zuchten is niet slechts negatief. Het is als het zuchten van een barende vrouw: pijn, maar met verwachting van verlossing en nieuw leven.¹¹
7. Vraagstijl in Romeinen 8:31–34
In de Griekse grondtekst worden geen leestekens (interpunctie) gebruikt zoals punten en komma’s. Omdat een vertaling die wél moet toevoegen, ontstaat er soms verschil in beoordeling hoe de tekst precies gelezen moet worden.
De Concordant Version houdt consequent de vraagstijl aan vanaf vers 31. Dat geeft een krachtige lezing, die afsteekt tegen bijvoorbeeld de NBG:
NBG
“Wie zal uitverkorenen Gods beschuldigen? God is het, die rechtvaardigt;
wie zal veroordelen? Christus Jezus is de gestorvene…”
CV
“Wie zal uitverkorenen Gods beschuldigen? God Die rechtvaardigt?
Wie zal veroordelen? Christus Jezus de gestorvene — wat méér is, de opgewekte — …”
Hierdoor klinkt het alsof Paulus niet alleen stelt dat God rechtvaardigt, maar het als een retorische vraag laat staan: **wie zou het in vredesnaam aandurven om dan nog aan te klagen?**¹²
8. Meer dan overwinnaars
De apostel noemt een afdalende reeks van omstandigheden in Romeinen 8:35:
- verdrukking (druk van buiten)
- benauwdheid (angst)
- vervolging (achterna gezeten worden)
- honger of naaktheid (gebrek aan primaire levensbehoeften)
- gevaar (levensgevaar)
- het zwaard (executie)
Paulus kende deze dingen stuk voor stuk uit eigen ervaring.¹³
En toch roept hij uit: zelfs in deze omstandigheden zijn wij **“meer dan overwinnaars.”**¹⁴ Letterlijk staat er: hyper overwinnende.
Niet pas straks overwinnen, maar nu al. De overwinning staat bij voorbaat vast. En nog sterker: uiteindelijk zal blijken dat er niets tegen ons was. Alle omstandigheden werken mee aan het ultieme doel dat God Zich gesteld heeft.
En als dát geen positief denken is…
Voetnoten
- Romeinen 8:26 — “Wij weten niet wat wij bidden zullen gelijk het behoort…”
- Romeinen 8:28 — “Wij weten dat hun die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede…”
- Romeinen 9:11 — “opdat het voornemen Gods naar de verkiezing zou blijven…”
- Uitdrukking ter benadrukking van totale afhankelijkheid: de mens draagt niets bij aan zijn redding.
- Romeinen 11:32; Romeinen 5:18.
- 2 Timotheüs 1:9–10 — “vóór eeuwige tijden” (SV/NBG: “vóór de tijden der eeuwen”).
- Vergelijk het bijbels taalgebruik over “eeuwen/aeonen”: tijdperken met onderscheiden kenmerken.
- Romeinen 8:17 — verheerlijking als toekomstverwachting: “indien wij met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden.”
- Romeinen 8:31 — “Indien God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?”
- Romeinen 8:22–23.
- Romeinen 8:22 — “als in barensnood”.
- Romeinen 8:33–34 in relatie tot het retorische karakter van Paulus’ betoog.
- 2 Korinthe 11:23–28 — overzicht van Paulus’ verdrukkingen.
- Romeinen 8:37 — “maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars…”