Waarom de Statenvertaling nauwelijks vernieuwend was
In 1618, ruim vierhonderd jaar geleden, besloot de Synode van Dordrecht dat er een nieuwe Nederlandse Bijbelvertaling moest komen. Die vertaling verscheen uiteindelijk in 1637 en werd bekend als de Statenvertaling. Toch was deze vertaling, ondanks haar grote betekenis, allesbehalve radicaal nieuw. Dat roept de vraag op: wat was eigenlijk het doel van de vertalers?
Nauwe aansluiting bij oudere vertalingen
Al in 1937 merkte de vrijzinnige theoloog Seventer op dat de tekst van de Statenvertaling weinig vernieuwend was. Hij zag in veel woorden en zinnen duidelijke overeenkomsten met oudere Bijbelvertalingen. Later onderzoek bevestigt dit beeld: ongeveer tachtig procent van de woorden in het Nieuwe Testament van de Statenvertaling is rechtstreeks terug te voeren op de Deux-AE bijbel.
Die Deux-AE bijbel was in de zestiende eeuw de gezaghebbende Bijbelvertaling binnen de gereformeerde kerken. Dat de Statenvertaling hier zo sterk op leunt, roept vragen op. De Statenvertalers bestudeerden immers de Bijbelse grondteksten intensief. Hadden zij zich dan niet meer vrijheid kunnen permitteren?
Het besluit van de Synode van Dordrecht
Het antwoord ligt grotendeels bij de Synode van Dordrecht (1618–1619). Daar werd besloten dat er een nieuwe vertaling moest komen, vooral om een einde te maken aan de grote variatie aan Bijbelvertalingen in de Nederlanden. Naast de Deux-AE bijbel circuleerden bijvoorbeeld ook nog de Liesvelt-bijbel en andere vertalingen, zonder dat er één officiële, door kerk en overheid erkende versie bestond.
De synode wees drie vertalers aan voor het Nieuwe Testament, maar gaf hun duidelijke instructies: zij mochten niet te vernieuwend te werk gaan. Vooral het Nieuwe Testament hoefde volgens de synode nauwelijks verbeterd te worden, omdat de Deux-AE bijbel al gebaseerd was op de grondtekst en een duidelijke vooruitgang betekende ten opzichte van eerdere, te letterlijke vertalingen.
Het doel was dus niet vernieuwing, maar standaardisatie en acceptatie.
De rol van Jacobus Rolandus
Ongeveer tien jaar later begon Jacobus Rolandus aan zijn werk als Statenvertaler. Hij was geen universitair geleerde, maar een ervaren predikant uit Amsterdam. Dat was een bewuste keuze: de synode wilde voorkomen dat geleerd taalgebruik de Bijbel ontoegankelijk zou maken voor het gewone, vaak ongeletterde volk.
Rolandus was bovendien een gedreven vertaler. In zijn schaarse vrije tijd had hij al een eigen Bijbelvertaling gemaakt. Daarbij leunde hij sterk op de Deux-AE bijbel, waarmee hij als het ware was opgegroeid: zijn geboortejaar viel zelfs samen met het jaar waarin die vertaling voor het eerst verscheen. Die vertrouwdheid klinkt duidelijk door in zijn werk.
Rolandus stelde de eerste volledige proefvertaling van het Nieuwe Testament op. Anders dan lang werd aangenomen, maakten de drie vertalers niet ieder een eigen vertaling. In plaats daarvan werkte men achtereenvolgens: Rolandus vertaalde eerst, waarna zijn collega’s de tekst controleerden en bijstelden.
Strenge controle en weinig ruimte voor vernieuwing
De vertaling werd in verschillende fasen gecontroleerd. Eerst beoordeelde Walaeus de tekst taalkundig en inhoudelijk. Daarbij legde hij Rolandus’ vertaling steeds naast de Deux-AE bijbel. Als Rolandus te veel afweek, noteerde Walaeus de traditionele formulering als alternatief. Week Rolandus juist weinig af, dan zag Walaeus soms ruimte voor vernieuwing.
In een latere fase werden annotaties toegevoegd en moest uit alle mogelijke vertaalopties één definitieve tekst worden gekozen. Daarna controleerde Hommius het Nederlands. Tot slot brachten acht revisoren kleine correcties aan. Ook zij stelden regelmatig voor om terug te keren naar de formuleringen van de Deux-AE bijbel.
Zo werd precies uitgevoerd wat de synode had voorgeschreven: meerdere controlelagen moesten voorkomen dat de nieuwe vertaling te ver afweek van wat men kende en vertrouwde.
Conclusie
Dat de Statenvertaling zo sterk lijkt op de Deux-AE bijbel heeft drie hoofdredenen:
- De richtlijnen van de Synode van Dordrecht, die vernieuwing bewust beperkten om brede acceptatie te garanderen.
- De persoonlijke achtergrond van Rolandus, die als predikant diep vertrouwd was met de taal van de Deux-AE bijbel.
- Het uitgebreide controlesysteem, dat afwijkingen systematisch
De Statenvertaling heeft een enorme invloed gehad op de Nederlandse taal en cultuur. Maar ze was veel minder origineel dan vaak wordt gedacht. Haar kracht lag niet in vernieuwing, maar in zorgvuldige aansluiting bij een bestaande, gezaghebbende traditie.
Noten:
- Seventer, 'De Statenvertaling en hare kanttekeningen' in: Nederlands Archief/ voor Kerkgeschiedenis 29 (1936), 263-306, 271.
- J. de Kooter, In de studeervertrekken van de Statenvertalers. Het inwendig wordingsproces van bet Nieuwe Testament van de Statenvertaling, 2017 s.l., 328-331.
- Zie de achtste zitting uit de Acta van de Synode van
- Utenhove gebruikte het neologisme aver als weergave van het Griekse woordje de ('maar').
- Harline, Jacobs vlucht. Een familiesaga uit de Gouden Eeuw, Nijmegen 2016, 12-13.
- Hinlopen, Historie van de Nederlandsche overzettingen des Bijbels, Leiden 1777, 111; C.C. de Bruin, De Statenbijbel en zijn voorgangers, Leiden 1937, 288.
- Collectie Rolandus, Utrechts Archief, nr. 1403.227-229; Autograaf, Utrechts Archief, inv.nr. 1401.140.