Allen verzoend… en Satan dan?
Over universele verzoening en de plaats van Satan in Gods plan
Inleiding
Wanneer je zegt te geloven dat God het al (alles) met Zich verzoent, en dat Hij elk mens – zelfs elk schepsel dat vijandig tegenover Hem staat – tot een vriend en medestander zal maken, wordt vaak de vraag opgeworpen: “Maar hoe zit het dan met Satan? Is hij daarvan uitgezonderd?”
De Schrift leert dat God het al met Zich verzoent. Dat is inclusief: het omvat elk wezen – dus ook Satan.
“…en door Hem het al wederzijds met Zichzelf te verzoenen, vrede makend door het bloed van Zijn kruis, door Hem, hetzij wat op de aarde, hetzij wat in de hemelen is. — Kolossenzen 1:20 (Nederlandse Concordante Vertaling, NCV)
Wat betekent ‘wederzijds verzoenen’?
Het woord dat Paulus in de Griekse grondtekst gebruikt voor ‘verzoenen’ is apokatallassō (werkwoordvorm) en in Kolossenzen 1:20 staat de vorm apokatallaxai. Het drukt een volledige, herstelde verhouding uit – een verzoening die ‘naar beide kanten’ werkt. Dat wordt helder wanneer we kijken waar Paulus dit woord nog gebruikt.
“…en beiden [Jood en heiden] in één lichaam met God door het kruis wederzijds zal verzoenen, de vijandschap erin dodend.” — Efeziërs 2:16 (NCV)
In de context van Efeziërs 2 gaat het erom dat God de natiën dichtbij heeft gebracht door het bloed van Christus, Jood en heiden één gemaakt heeft, de vijandschap opgeheven heeft en zo vrede gesticht heeft. De verzoening is dus niet alleen ‘mens met God’, maar ook ‘mens met mens’. Dat is wederzijdse verzoening.
Sommigen proberen onder de reikwijdte van Kolossenzen 1:20 uit te komen door te stellen dat er ook ‘wezens onder de aarde’ zouden zijn die buiten deze verzoening vallen. Maar als verzoening wederzijds en volledig is, is dat geen steekhoudend argument. Bovendien: wie ‘onder de aarde’ zijn (de doden), waren tijdens hun leven boven de aarde en maakten deel uit van de vijandschap die God opheft.
“…opdat in de naam van Jezus zich alle knie buigt van de hemelingen en van hen die op aarde en van hen die onder de aarde zijn, en alle tong van harte belijdt: Heer is Jezus Christus, tot verheerlijking van God, de Vader.” — Filippenzen 2:10-11 (NCV)
Elke knie zal buigen en elke tong zal van harte belijden dat Jezus Christus Heer is – tot verheerlijking van God de Vader. Jezus Christus is Heer (Bezitter/Eigenaar) en Heer van allen (vgl. Handelingen 10:36; Romeinen 10:12; 14:9).
God verzoent het al door het bloed van het kruis (Kolossenzen 1:20). Geen schepsel is daarvan uitgesloten. Allen zijn het werk van Zijn handen (Job 34:19), en God laat de werken van Zijn handen niet varen (Psalm 138:8).
De oorsprong van Satan
De Schrift leert dat God de oorsprong is van alle dingen. Eens was God alles in Zichzelf; buiten Hem was er niets. Door Gods spreken is alles tot stand gekomen (Psalm 33:9; Johannes 1:3). Alles wat er is – zichtbaar en onzichtbaar – is uit Hem voortgekomen.
“Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen…” — Romeinen 11:36 (NBG)
Volgens een veelgehoorde christelijke traditie zou Satan oorspronkelijk een goede engel zijn geweest die door eigen handelen ‘gevallen’ is. Die voorstelling roept lastige vragen op: waar komt het kwaad dan vandaan? Had God dat niet voorzien of kunnen voorkomen? En hoe verhoudt dat zich tot teksten die zeggen dat God alles bestuurt en alles uit Hem is?
De Schrift spreekt consequent over Gods soevereiniteit: God werkt alles naar de raad van Zijn wil (Efeziërs 1:11). Hij heeft geen plan B, maar een voornemen dat Hij volbrengt.
“Ik, die van den beginne de afloop verkondig en vanouds wat nog niet geschied is; die zeg: Mijn raadsbesluit zal volbracht worden en Ik zal al mijn welbehagen doen.” — Jesaja 46:10 (NBG)
Wat zegt de Schrift expliciet over de oorsprong van de duivel?
“…de duivel zondigt van den beginne.” — 1 Johannes 3:8 (NBG)
Adam en Eva zondigden niet ‘vanaf het begin’, maar raakten in overtreding (1 Timoteüs 2:14). Over de duivel zegt 1 Johannes 3:8 dat hij zondigt ‘vanaf (zijn) begin’. Daarbij zegt de Heer Jezus dat het ‘van het begin af’ niet zo geweest is dat Mozes echtscheiding toestond (Mattheüs 19:8) – een indicatie dat ‘het begin’ in de Schrift soms nauwkeurig onderscheiden moet worden.
“Opdat men wete … dat er buiten Mij niets is … Ik formeer het licht, en schep de duisternis; Ik maak den vrede en schep het kwaad; Ik, de HEERE, doe al deze dingen.” — Jesaja 45:6-7 (Statenvertaling)
“…Ik ben het ook, die de verderver geschapen heb om te vernielen.” — Jesaja 54:16 (NBG)
“Gij hebt de duivel tot vader … Die was een mensenmoorder van den beginne en staat niet in de waarheid … Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij naar zijn aard, want hij is een leugenaar en de vader der leugen.” — Johannes 8:44 (NBG)
Deze woorden beschrijven de duivel als iemand die niet in de waarheid staat en die ‘naar zijn aard’ spreekt wanneer hij liegt. Ook Genesis benoemt dat de slang ‘het listigste’ dier was dat de HEERE God gemaakt had (Genesis 3:1).
“De slang nu was het listigste van alle dieren des velds, die de Here God gemaakt had…” — Genesis 3:1 (NBG)
“…Zijn hand heeft de snel kronkelende slang geschapen.” — Job 26:13 (NBG)
“Komt niet uit de mond des Allerhoogsten het kwade en het goede?” — Klaagliederen 3:38 (NBG)
De conclusie binnen deze redenering is: alles is uit God, en daarmee is zelfs het kwaad in goede handen. God is de Beschikker van alle dingen.
Ezechiël 28 en Jesaja 14
Twee passages worden vaak aangevoerd als ‘bewijs’ dat Satan een gevallen engel zou zijn: Ezechiël 28:12-15 en Jesaja 14:12-14. In beide contexten gaat het echter expliciet over menselijke koningen: respectievelijk de koning van Tyrus en de koning van Babel.
Waarom Ezechiël 28 niet over Satan spreekt
- In de context van Ezechiël 25-32 worden oordelen uitgesproken over volken en hun leiders. Hoofdstuk 26-28 gaat over Tyrus en de koning van Tyrus (vgl. 28:2; 28:12).
- De profetie spreekt over een mens; dat wordt expliciet genoemd (28:2 en 28:9).
- In 28:13 wordt Eden genoemd, maar Tyrus dreef handel met streken die in dezelfde regio genoemd worden (vgl. Ezechiël 27:22-23); ‘edelgesteente’ past bovendien bij de handelscontext van Tyrus.
- De titel ‘gezalfde, overdekkende cherub’ (28:14) wordt elders niet aan Satan toegeschreven. In Genesis 3:24 zijn cherubs juist de bewakers van de hof, niet de slang.
- Het woord dat vaak met ‘onberispelijk’ is vertaald (28:15) wordt ook gebruikt voor gave offerdieren (vgl. Leviticus 1:3) en bijvoorbeeld voor Noach (Genesis 6:9).
- ‘Geschapen’ (28:15) is niet uitsluitend voorbehouden aan geestelijke wezens; de Schrift spreekt ook over mensen als door God geschapen.
- De profetie beschrijft de ondergang van de vorst van Tyrus door vreemde volken (28:7-10; 28:18-19), wat een ander einde is dan wat Openbaring 20:10 over de duivel noemt.
Waarom Jesaja 14 niet over Satan spreekt
- De context is duidelijk: Jesaja 13 kondigt Babel aan (13:1) en Jesaja 14 spreekt expliciet tot de koning van Babel (14:4).
- De tekst spreekt over een man (14:16).
- Het ‘neergeworpen worden in het dodenrijk’ (14:11, 15) past bij een menselijke heerser.
- De aanduiding die vaak met ‘morgenster’ is vertaald (14:12) wordt regelmatig besproken; het Hebreeuwse heylel hangt samen met ‘jammeren/klagen’ (afleiding van yalal). In Job 38:7 wordt voor ‘morgensterren’ een ander Hebreeuws woord gebruikt.
- 2 Petrus 1:19 spreekt over de Morgenster als beeld dat naar Christus verwijst; 2 Korinthiërs 11:14 zegt dat Satan zich voordoet als een engel van het licht.
Waarom zouden we passages die expliciet over de koning van Tyrus en de koning van Babel spreken, zó lezen dat ze directe uitspraken over Satan zouden zijn, terwijl andere teksten wél rechtstreeks over zijn oorsprong spreken (zoals 1 Johannes 3:8; Job 26:13; Genesis 3:1; Jesaja 45:6-7; Jesaja 54:16)?
Het waarom van het kwaad: contrasten
Kennis van kwaad is niet ‘los verkrijgbaar’. Zoals duisternis nodig is om licht te onderscheiden, zo vormt kwaad een contrast waardoor goed zichtbaar wordt. In Genesis 3 wordt gesproken over de boom van kennis van goed én kwaad.
“…maar God weet, dat ten dage, dat gij daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden, en gij als God zult zijn, kennende goed en kwaad.” — Genesis 3:5 (NBG)
Paulus benadrukt dat God het decor van zonde gebruikt om de overvloed van genade te tonen:
“Maar de wet is bovendien ingekomen, opdat de misdaad te meerder worde; en waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest.” — Romeinen 5:20 (SV)
Een ander voorbeeld uit dezelfde brief:
“Want God heeft hen allen onder ongehoorzaamheid besloten, om Zich over hen allen te ontfermen.” — Romeinen 11:32 (NBG)
Contrasten zijn in het dagelijks leven vanzelfsprekend: koud-warm, ziek-gezond, dood-leven, duister-licht, ellende-geluk, haat-liefde. Prediker 3 beschrijft hoe alles een bestemde tijd heeft en dat God ieder ding ‘schoon maakt op zijn tijd’ (Prediker 3:11).
Binnen deze visie is Satan een instrument in Gods hand en krijgt hij slechts ruimte binnen grenzen die God bepaalt (Job 1:12; 2:6).
“En de duivel zeide tot Hem: U zal ik al deze macht geven en hun heerlijkheid, want zij is mij overgegeven, en ik geef haar wie ik wil.” — Lukas 4:6 (NBG)
Openbaring 20 beschrijft dat God de tegenstander voor duizend jaar bindt en dat hij daarna voor korte tijd losgelaten moet worden (Openbaring 20:2-3). Dat onderstreept dat ook dit binnen Gods plan valt.
Misverstanden over ‘alverzoening’
Hoe het soms wordt voorgesteld
Soms wordt alverzoening zo karikaturaal weergegeven: uiteindelijk zou God toch iedereen toelaten, ongeacht wat iemand gelooft of doet, waardoor geloof, heiliging en verkondiging overbodig zouden worden, en Christus ‘voor niets’ gestorven zou zijn.
Hoe ‘alverzoeners’ het doorgaans onderbouwen
- Kolossenzen 1:20 spreekt expliciet over het verzoenen van ‘het al’ door het bloed van het kruis. Daarmee krijgt Christus’ sterven juist gewicht: verzoening is het opheffen van vijandschap (niet: God die eerst vijandig was, maar schepselen die vijandig staan tegenover God).
- Teksten die spreken over het bereiken van ‘allen’: Romeinen 5:18; 1 Korinthiërs 15:22; 1 Timoteüs 2:6; Johannes 4:42; 1 Johannes 2:2 (in diverse vertalingen).
- De ‘hemel’ als eindbestemming van alle mensen wordt vaak verondersteld, maar de terminologie rond burgerschap/wandel (Filippenzen 3:20) en ‘in de hemelse’ (Efeziërs) wordt in vertalingen verschillend weergegeven.
- Romeinen 5:20 wordt gelezen als indicatie dat genade overvloediger is dan zonde. De praktische conclusie die alverzoeners trekken is doorgaans niet ‘losbandigheid’, maar leven vanuit ontzag en dankbaarheid.
- Geloof wordt gezien als gave van God (Efeziërs 2:8-9) en Gods voornemen als allesomvattend (Efeziërs 1:11; vgl. Romeinen 9:15-24).
Over ‘gezonde leer’ en afwijking
Paulus waarschuwt dat mensen leraren zullen zoeken ‘naar hun eigen begeerten’ (2 Timoteüs 4:3). Vanuit het alverzoeningsperspectief wordt ‘gezonde leer’ vaak verbonden met de boodschap dat God alles bestuurt en dat Christus de Redder is van allen – niet slechts een Redder die het wil zijn. Daarbij ligt de nadruk op Paulus’ brieven als sleutel tot dit inzicht.
Slot
Als God werkelijk het al wederzijds met Zich verzoent (Kolossenzen 1:20), dan is geen schepsel buiten bereik – ook Satan niet. Tegelijk wordt in deze benadering benadrukt dat God soeverein is, contrasten gebruikt om Zijn genade en wijsheid zichtbaar te maken, en dat Zijn plan niet ontspoort maar volbracht wordt (Jesaja 46:10).